Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo was het vroeger, en waarachtig, wie zou het ooit denken of kunnen gelooven!

ik heb wezenlijk nog iets meer gevonden,

iets, dat waarlijk nog veel stralender blinkt, dat nog veel dieper mijn diepen dorst lescht. Dat is de Menschheid, hoe ze in haar leeft. O liefste! ik wil u nooit, nooit vergeten,

gij zijt mijn schat, mijn eerste, mijn jeugdbruid, gij zijt om mij en aan u dank ik alles,

gij blijft mijn eeuwige onbluschbare liefde — maar in u had ik 't grootste niet gekend, den parel, dien gij eens, diep in uw meer,

liet worden tot een vliesje, tot een kiem,

tot een noot, tot een appel, tot een vrucht zoo groot, dat ze van u afviel, en alleen voortleefde in uw diepe en groote zee.

Dat was de Menschheid, en die kende ik niet, gij hieldt die verborgen voor uw minnaar. En die heb 'k nu gevonden, o geluk! o onuitpeilbaar, o onuitspeurlijk heil!

hoe zij te midden van uw heelal leeft.

Ik heb haar gezien, ik heb haar gekend,

ik heb haar gevoeld hoe zij in u is,

en hoe zij in u tot haar heil opgroeit.

Ik heb gezien, hoe zij nu bezig is,

Sluiten