Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volk en land moeten worden bestuurd ; en daartoe behooren dan conservatieven, oud-liberalen, vooruitstrevenden, radicalen en socialisten.

Naar die tegenstelling zou kunnen gesproken worden van twee paitijen, waarin liet Nederlandsche volk ten aanzien van de politieke lichtingen uiteenvalt: eene christelijke patiij, die een positieven godsdienst óók ten opzichte van het beheer des lands voorstaat; en eene niet-christelijke partij, die op dit terrein niet allen positieven godsdienst gebroken heeft.

Laat men nu niet zeggen, dat deze indeeling van het geheele Nederlandsche volk in slechts twee partijen absoluut met de werkelijkheid spot.

Reeds Groen van Prinsterer wees op het bestaan van twee hoofdrichtingen (}\et1. Gedachten} bl. 39 en 229). En trouwens we hebben slechts te herinneren aan den stembus-strijd van 1901, toen liberalen en socialisten van alle gading zich als fractiën van de nietchristelijke partijen vereenigden en met de leuze „anti-clericaal" — wat niets anders wil zeggen, overeenkomstig eene vroegere verklaring van Mr. van Houten, dan: anti-christelijk — optraden tegen de fractiën van de ééne christelijke richting in ons vaderland: de anti-revolutionairen, de vrij-antirevolutionairen, de christelijkhistorischen en de roomsch-katholieken. Inderdaad gaf het toen meermalen den indruk, alsof er in den grond der zaak slechts twee pai tijen waren; want in werkelijkheid was het een stembus-strijd tusscheu de partijen eenerzijds, die geen positieven godsdienst in politieken zin belijden, en anderzijds de partijen, die wèl confessie doen van een positieven godsdienst. De overwinning was, gelijk men weet, aan de zijde van de christelijke partijen.

Intnsschen — hoezeer een optreden van alle christelijke partijen ondei dei algemeenen naam ..christelijk" in de gegeven omstandigheden verklaarbaar en noodzakelijk moge zijn, omdat reeds in dien algemeenen naam „christelijk ' wel terdege een program ligt opgesloten, tegenover het streven om de christelijke grondslagen van ons volksleven te ondermijnen — ieder zal moeten toegeven dat voor de ontwikkeling van ons politiek leven, voor eene duidelijke en klare omschrijving van de christelijke beginselen nog iets anders, iets meer noodig is dan een algemeen positief christendom. Vandaar dan ook. dat Rome komt met zijn kerkleer; dat de christelijk-historischen spreken van de beginselen van het Evangelie; en dat de anti-

Sluiten