Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„In eene Christelijke Natie "

Van „eene christelijke en dus niet-godsdienstlooze natie" spreekt art. 4; en daarmede wordt dan liet Nederlandsclie volk bedoeld.

Zoo oppervlakkig beschouwd, raakt dit kant noch wal. Het Nederlandsclie volk eene christelijke natie... maar hoe kan dit? Heeft dan de stellervan het Program geheel over het hoofd gezien, dat de afval van God en Zijn Woord in de vorige eeuw ook in ons land zoo schrikbarend groot was? En kan hij dit niet ontkennen, hoe komt hij er dan toe 0111 toch den eerenaam van christelijk voor ons volk, voor het Nederlandsclie volk als natie, op te eischen?

Inderdaad — hier is aanleiding 0111 tal van vragen op te werpen. Het kan toch niet ontkend worden, dat, waar het Nederlandsclie volk in de 17e eeuw in zijn geheel eene christelijke natie was, in zooverre het, Calvinistisch of remonstrantsch of roomsch, geloofde in den levenden God en er toen betrekkelijk slechts weinigen waren, die professie deden van het ongeloof der Spinoza's en anderen, — datzelfde volk thans voor een aanzienlijk deel openlijk met God en Zijn dienst heeft gebroken, ja, dat het meerendeel der mannen en vrouwen van invloed en beschaving, van wetenschap en kennis met beslistheid God Almachtig loochenen. En dit niet alleen. Want als men nagaat hoe de dag des Heeren al meer wordt ontheiligd, hoe het zedelijk peil niet rijst maar dalende is, hoe de uithuizigheid toeneemt en de banden van gezag en eerbied voor de gestelde machten (Rom. 13, 1 Petrus 1 : 13), zooal niet wegvallen dan toch losser worden — dan ja, schijnt het een gewaagd stuk nog te spreken van eene christelijke natie.

En toch blijven we de stelling van ons Program onderschrijven, ook al is die stelling nu meer dan twintig jaren geleden geopperd.

Wanneer hoofd voor hoofd aan ieder Nederlander werd gevraagd: gelooft gij in een levenden God, natuurlijk niet in gereformeerden of Calvinistischen maar in algemeen positief cliristelijken zin, wat dunkt u — zou het dan niet blijken, dat de meerderheid van het volk een antwoord gaf in overeenstemming met de stelling van artikel 4 van ons Program? Intusschen behoeft men tot eene dergelijke telling hoofd voor hoofd niet eens over te gaan. De Kamer-verkiezingen van 1901 hebben in dit opzicht ook beteekenis. Wanneer er geen scheuring, geen verdeeldheid was geweest tns-

Sluiten