Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opvatting van den eenen of anderen geleerde '). Intusschen, dit geven we toe, daarmede is nog niet gezegd of voor alle voorkomende gevallen de anti-revolutionairen op eens de juiste grenzen voor de praktijk der verdraagzaamheid kunnen aanwijzen.

Men moet, dit mag niet ontkend worden, met gemoedsbezwaren voorzichtig zijn. Toen toch bij een Adres-debat in de Eerste Kamer, September 1897, Minister Pierson, in zijn antwoord op een vraag van een anti-revolutionair lid (wijlen Jhr. T. van Ascli van Wijck) zeide, dat het voor hem een gemoedsbezwaar is, dat zoovele kinderen langs de straat loopen te bedelen of kleine artikelen verkoopen in plaats van naar school te gaan, — had zeker gevraagd kunnen worden of een dergelijk gemoedsbezwaar nu door leerplicht was weg te nemen, en of het gemoed van den heer Pierson niet beter ontlast zou kunnen worden door eene wet betreffende de verwaarloozing van kinderen, of wel door liet zich aantrekken van het lot dier kinderen.

Een ander gemoedsbezwaar. Het socialisme predikt de vrije liefde. Zijn groote woordvoerder B e b e 1, de leider der parlementaire socialisten in Duitschland, schrijft in zijn „De Vrouw en het Socialisme": ..Het huwelijk als in de grijze oudheid een privaat verdrag, zonder tusschenkomst van den eenen of anderen ambtenaar Verstand, beschaving, onafhankelijkheid zullen tot eene rechte keus leiden, en haar vergemakkelijken. Komt er onverdraagzaamheid, ontgoocheling, weerzin tusschen, dan gebiedt de moraal, deze onnatuurlijke en daarom onzedelijk geworden verhouding te verbreken."

Op eene andere plaats liet de socialistische woordvoerder zich aldus uit: „Het burgerlijk huwelijk is liet gevolg van den burgerlijken eigendom. Dit huwelijk, ten nauwste verbonden aan

1) Het ware inmiddels te wenschen, dat onze andersdenkenden zich hielden aan wat Prof. Opzoomer schreef in zijn „De grenzen der Staatsmacht'1 (bl. 17): „Er is niets wat den vrijen mensch meer tegen de borst stuit, dan het opleggen van een plicht, in zijn vervulling door dtcant/ verzekerd, zoo dikwijls eigen oterluiyin;/ dien plicht niet erkent, ja wat hij voorschrijft als onheil verwerpt. Het is voor mij reeds erg genoeg, als wat ik voor kwaad houd tot stand komt; hoeveel erf/er nis ih zelf gedwongen tcord, er toe mede te werken, al is het maar door het drogen van een der lasten. Waarom? Wijl ik iedere maatschappij waarvan ik lid ben verlaten kan. alleen die van den Staat niet."

Had inaar de Hoogleeraar zij 11 school, waaruit zoovele leerlingen zijn voortgekomen, gebouwd op het beginsel, in die van hem aangehaalde woorden neergelegd!

Sluiten