Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden 23 jaren mag zijn, hebben bereikt." En voorts wordt in het artikel (80) bepaald, dat van het kiesrecht uitgesloten worden zij die onderstand hebben genoten van eene instelling van weldadigheid of het burgerlijk armbestuur, en zij die, zoo ze belastingplichtig zijn, hun belasting in het vorige jaar niet hebben betaald.

Van dit grondwettig kiesrecht-artikel zijn alleen de bepalingen van de uitsluiting eenigszins duidelijk; duidelijk is ook de bepaling dat de vrouwen van het kiesrecht uitgesloten zijn en dat de kiezer den leeftijd van 23 jaar moet hebben bereikt. Voor tweeërlei uitlegging daarentegen is vatbaar de bepaling, die den grondslag van het kiesrecht moet aangeven, n.1. het bezit van keiiteekeneu van geschiktheid en maatschappelijken welstand. "Wat daaronder te verstaan? Voor deze lastige vraag kwamen de Kamerleden en weldra ook de kiezers te staan, toen in 1894 Minister Tak van Poortvliet in eene nieuwe kieswet die keuteekenen poogde te omschrijven. Minister Tak had gemeend eene eenvoudige oplossing te hebben gevonden. Hij nam twee kenteekenen: één van welstand en één van geschiktheid. Dat van welstand zag hij in ieder persoon, die voorzag in zijn eigen onderhoud en in dat van zijn gezin; dat van geschiktheid in het kunnen lezen en schrijven, wat moest blijken uit het invullen van een formulier op het gemeentehuis. Dat was intusschen al te eenvoudig voor velen. Feitelijk kwam het, zeiden dezen, hierop neer dat volgens de kieswet-Tak allen die niet bedeeld worden kiezer kunnen zijn. Dat nu was geen positief, maar een negatief kenteeken; en daar de Grondwet, volgens hen, een positief kenteeken eischt — dat wil zeggen wat een kiezer wél is en niet wat hij niet is — werd de kieswet-Tak voor ongrondwettig gehouden.

Men zal zich de geschiedenis van die wet nog wel herinneren. Ze kwam niet in veilige haven. En toen Minister Tak trachtte door Kamer-ontbinding zijn zin te krijgen, leed hij met die poging eene geweldige nederlaag. Zijn opvolger Minister VAN HOUTEN pakte de zaak anders aan. Welstand en geschiktheid vereenigde hij tot één kenteeken. Die welstand heeft, is ook geschikt — redeneerde hij. Bij welke personen vond men nu dien welstand en die geschiktheid? Bij hen, die aangeslagen zijn in ééne der directe belastingen of die een spaarbankboekje ad f 50 of eene obligatie op de Nederlandsche Bank

Sluiten