Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden, alsof God zelf niet rechtstreeks als rechter zou optreden. God Almachtig toch handhaaft zelf het recht: in de conscientie, in de bezoeking en in het oordeel. ')

In de conscientie. Op tweeërlei wijze. De overtreder toch heeft geen rust in zijn eigen gemoedsleven; en de publieke opinie zoo van den tijdgenoot als van het nageslacht getuigt, door de inspraak des gewetens, tegen al wat krenking is van het onschendbaar recht Gods. — In de b e z o e k i n g aan den enkelen overtreder: door de wrange vrucht die meestal de zonde draagt; en ook door de tegenspoeden, plagen en krankheden, die God over hem brengt. Dit voor wat betreft den enkelen persoon. En wat aangaat familiën, landstreken en natiën, — zoo worden hun zonden bezocht door de veraclitering in welstand of ook door de verwoesting, die de elementen der natuur en de smetstof der pestilentie onder hen aanrichten. — En eindelijk het oordeel, doordien Hij een dag gesteld heeft waarop alle natiën en volkeren voor zijn vierschaar zullen verschijnen en Hij aan een iegelijk vergelden zal naar wat hij in het lichaam gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.

Dit is de rechtshandhaving rechtstreeks door God; en naast deze rechtshandhaving bestaat er eene andere, die niet rechtstreeks van Godswege maar middellijk werkt en die door Hem is opgedragen aan menschen, die in hun kring gezag uitoefenen. Zoo is er rechtspraak door de Overheid voor het Kijksgebied en zoo is er rechtspraak door de ouders voor hun gezin. Nu wordt in artikel XIII van het Program gesproken van onafhankelijke rechtspraak; doch, gelijk men wel zal verstaan is dat „onafhankelijke" betrekkelijk. Er mag toch volstrekt niet door verstaan worden, dat de ouders, dat de Overheid absoluut onafhankelijk in hun rechtspraak zijn. Integendeel, zij zijn gebonden aan de ordinantiën Gods; terwijl de Overheid heeft te eerbiedigen de souvereiniteit in eigen kring, ook heeft af te blijven van het terrein der conscientie, zoodat ondeugden als gierigheid, hoogmoed enz. buiten haar bereik vallen.

Doch ook zoo heeft de Overheid nog een breed terrein, waarop zij recht heeft te spreken. Dit recht moet voor haar vast staan en niet aan de wisselende opvattingen van de dragers van het Overheidsgezag worden overgelaten. Daartoe moet vooraf naar

1) „Ons Program," blz. 728.

Sluiten