Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog niet 7 ton, thans bijna 2 millioen), aanbouw van schepen, aankoop van geweren en snel vuur geschut; terwijl de sociale wetten — Arbeidswet, Ongevallenwet, Woning- en Gezondheidswet — ook ieder jaar al meer vragen.

De werkzaamheden van ieder Departement breiden zich steeds uit. Bij de Departementen van Buitenlandsche Zaken, Justitie, Binnenlandsclie Zaken, Marine, Financiën, Oorlog en Koloniën, is in 1878 onder het Ministerie-Kappeyne een nieuw departement gekomen, n.1. dat van Waterstaat, Handel en Nijverheid. De eerste Minister daarvan was Mr. Tak van Poortvliet, die ook van Maart tot Mei 1894 Minister van Binnenlandsche Zaken was. Niet onwaarschijnlijk is liet dat na niet zeer langen tijd een Departement voor Landbouw en Arbeid wordt opgericht.

Een gunstig teeken is het zeker, dat ondanks de stijging der uitgaven de Staatsschuld niet vermeerdert maar vermindert. Sinds 1850 is de rente-betaling 18 ton lager geworden. Dit ligt ten deele aan aflossingen, doch het meest aan de verlaging van de rente. In 1886 werd de 4 percentsschuld, ten bedrage van 348 millioen, in eene 3'/2 percents verwisseld (geconverteerd); en tien jaren later, in 1896, is deze schuld, die inmiddels tot 373'/2 millioen was vergroot, weder veranderd in eene schuld van 3 percent. Natuurlijk is daarvan eene aanzienlijke rente-besparing het gevolg geweest. Thans bestaat onze Staatsschuld uit 626 millioen 2'/, pet. en 460 millioen 3 pet., samen ongeveer 1050 millioen. Voorzeker nog eene zeer groote schuld. Na Frankrijk en Portugal heeft ons land betrekkelijk dan ook de meeste schuld. Doch dit is nog een gevolg van de groote uitgaven, die ons land moest doen door den Belgischen opstand; want Koning Willem I wilde, tot schade van vele belangen, van geen toegeven weten en hield ons leger tot 1839 op voet van oorlog. Dit kostte millioenen bij millioenen.

Thans echter kan gezegd, dat de schuld niet meer stijgt; en dit is een gunstig teeken, vooral bij de hooge klimming der uitgaven. Het bewijst toch, dat de draagkracht der natie sterk genoeg is om de groote uitgaven te kunnen bestrijden.

Sluiten