Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In dezen vorm werd het tweede stuk door de Generale Synode van Dordrecht 1H1B-— 1019 gehandhaafd, zoodat volgens de Synode de Overheid wel terdege verplicht was om de predikanten te salarieeren. de secten uit te roeien en kerken te stichten.

l)e eigenlijke bedenking tegen dit stuk geldt niet zoozeer het geven van geld door den Staat aan de kerken, omdat gelijk men weet de Staat kerkelijke goederen tot zich genomen had en op dien grond de uitkeering van die gelden zou kunnen verdedigd worden, ofschoon het van zelf beter ware geweest, indien de Staat onmiddellijk die goederen aan de kerken, voor zoover ze daar recht op hadden, terug gegeven had. Eu ook geldt de bedenking niet de gemeentestichting, aangezien toen de Staat gereformeerd heette, ten onrechte intusschen, en op grond daarvan de Staat verplicht mocht worden geacht in de Generaliteitslanden en in de Koloniën het stichten van kerken te bevorderen.

Het gr avamen betreft de uitroeiing van ketterijen, zoodat heel het bezwaar tegen het heerlijk schoone artikel 36 slechts een onderdeel van het tweede stuk betreft. Calvijn zelf was. gelijk men weet, in liet uitroeien van ketterijen voorgegaan. Hij toch had Servet, een publieken godslasteraar, ter dood laten brengen, op grond, dat „het de plicht der Overheid was, ketters met den zwaarde te slaan"; en het onderdeel nu in liet tweede stuk van artikel 30 is daarvan blijkbaar de vrucht. De vraag is. of de opsteller van artikel 30, voor wat betreft de uitroeiing van ketters, gemeend heeft daarvoor zich te kunnen beroepen op de Schrift. En dan verdient al dadelijk opmerking, dat de opkomst der Overheid in artikel 30 bewezen wordt door een beroep op Rom. 13; dat voor de plichten der onderdanen jegens de Overheid gewezen wordt op 1 Tim. 2:2; maar dat op uitroeiing der ketterijen aangedrongen wordt met eene algemeene formule: ,.gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt." De opsteller van liet artikel heeft hier blijkbaar gedacht aan de verhouding tusschen kerk en staat onder de theocratie van Israël, aan de reformatiën van een Josaphat, Hiskia en Josia. En overigens was de zinsnede betreffende de uitroeiing der ketterijen

van Rome overgenomen.

Het spreekt van zelf, dat bij het licht, hetwelk door de geschiedenis der laatste eeuwen is ontstoken, niemand meer voor handhaving van de gewraakte zinsnede kan ijveren. Dat pogingen worden

Sluiten