Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met ééne offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt, degenen, die geheiligd worden. i) Evenmin als het zondoffer der roode koe herhaald behoefde te worden bij het invallen van een nieuwe verontreiniging, is het noodig, dat Hij zich dikmaals zou opofferen, gelijk de hoogepriester alle jaar met nieuw bloed in het heiligdom ingaat. -) Eén offer is voldoende; zijn bloed blijft eeuw in eeuw uit voor Gods aanschijn schuld en zonde bedekken, ja het wischt hare gedachtenis uit. Noodig is het slechts, dat wij, telkens als wij weder gezondigd hebben, ons achter onzen hoogepriester en zijn offer verbergen. Dan zal Hij zich niet alleen over ons uitbreiden, om onze zonden voor Gods aangezicht te verbergen, maar ook tot ons ingaan, om in ons de kracht uit te storten, waaruit de vrucht eens nieuwen levens geboren wordt.

Nog ben ik niet ten volle rein; maar het is lieden ook nog pas de derde dag. 3) Eerst op den zevenden is de laatste smet verdwenen. Reeds ben ik met Christus uit het graf opgestaan; maar graflucht en lijkenwindsel omgeven mij nog. Dat, duurt, tot zijn sabbat (ook de mijne geworden !) komen zal. Hij is nu reeds wat wij dan zullen zijn; dat zij voor mij genoeg. Zijn bloed voor mij uitgestort, op mij gesprengd, geeft eene volkome verlossing. „Wie daarentegen onrein zal zijn, en zich niet zal ontzondigen, die ziele zal uit het midden der gemeente uitgeroeid worden; want hij heeft het heiligdom des Heeren verontreinigd; het water der afzondering is niet op hem gesprengd; hij is onrein. Dat gold in de dagen van Mozes. Wie zijne wet te met doet, sterft, op het getuigenis van twee of drie, zonder barmhartigheid. „Hoe veel te zwaarder straf zal hij waardig geacht worden, die den Zoon van God vertreden heeft, en het bloed des testaments onrein geacht, waardoor hij geheiligd was?" ■*)

to\ 28,b29.10 1 14' 2> Hebr" 9 1 25, 26' 3) Num' 19 :2°- 4) Heb'-.

Sluiten