Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitdrukking volkomen. Evenmin als de rentmeester van de eigendommen zijns heeren zoggen kon : „zij zijn de mijne", hebben wij voor ons recht om ons goed als ons eigendom nan te merken; een rentmeester is geen eigenaar. Wat doen wij echter? Onze spraak reeds maakt ons openbaar: altijd spreken wij van „onze fortuin, onze landen, onze huizen" ') alsof zij in plaats van aan God aan ons toekwamen, 'tls een teeken dat wij vergeten zijn, wie de eigenaar er van is; maar dat juist is onze ellende. Wij hebben ons eens anders goed, namelijk dat van God, toegeëigend, en vermoeden niet eens dat wij ons daarmede «aan schandelijke onrechtvaardigheid schuldig gemaakt hebben. Wij weten niet beter of het behoort zoo; zelfs het welbekende: „wij zijn maar rentmeesters" is op onze lippen een klank geworden. De een gebruikt het geld om te genieten, de ander bewaart het zorgvuldig voor de toekomst; maar allen meenen dat het ons werkelijk toekomt. Wij wanen dat God ons even goed tegenover Hem als tegenover den naaste recht van eigendom gegeven heeft; en de gewone spreekwijs : „ach, ons arme zondaren komt niets toe!" beteekent op onze lippen niet wat zij beduiden moest: „wij hebben, enkel daarom, dat wij geen eigenaars, maar rentmeesters zijn, in den letterlijken zin van het woord, werkelijk niets maar slechts: wij verdienen niets, van wat wij bezitten.

Niets verdienen ? neen, erger is het: wij bezitten niets. Van al het onze zegt God: „het is het uwe niet, maar het mijne" even als de heer tot den rentmeester! Zie hier onze zonde: wij zijn begonnen om met dezen man ons zeiven als meesters van onze bezittingen te beschouwen. Wat zijn wij dan anders dan overtreders van het gebod, dat ons het stelen verbiedt? Te dezen opzichte staan alle menschen op ééne lijn; de eerlijke en de dief, beiden vinden zij hun beeld in den onrechtvaardigen rentmeester, omdat zij met

1) Vergelijk hierbij Godet, Coiura. sur Luc. op den tekst.

Sluiten