Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maakt door zelf zijne roeping te volbrengen, het den laatste mogelijk zich van de zijne te kwijten. Want hij vormt door zijne milddadigheid een band van liefde, die hiernamaals de wederzijdsche gemeenschap, ten zijnen bate, mogelijk en zeker maakt. Het is in korte woorden de wet, dat, wie in het lichamelijke zaait, in het geestelijke maait, en dat wie in het lichamelijke ontvangt, in het geestelijke terug geeft. Thans kan men eenigszins inzien van hoe groot gewicht ons aardsche leven voor onze toekomst is.

Maar is dit niet de zaligheid uit de werken gepredikt en de genade te niet gedaan ? Wie dit vreezen mocht heeft onze gelijkenis niet begrepen. Reeds heeft hij geen acht geslagen op de omstandigheid, dat de beweldadigden geenszins den hemel openen; dat doet alleen het geloof. Zij nemen slechts in hunne tenten op, wie hunne wereld reeds is ingetreden, er in toegelaten wegens zijn geloof in den Heer. Zonder dat geloof kon hij niet eens er toe komen om, volgens de aansporing van den Heer, zich uit de kinderen des lichts door den mammon vrienden te maken.

Wat toch bewoog hem om zich van hunne vriendschap te verzekeren ? Tmmers de waardeering van hunne geestelijke voortreffelijkheid ? Immers het verlangen naar het deelgenootschap aan hunne hemelsche schatten ? Maar tot zoo iets komt men alleen door het geloof, dat den mensch den mammon vaarwel zeggen doet, en hem op weg drijft om het onsterfelijke te zoeken.

Bovendien kleedt de Heer, juist om den indruk weg te nemen, alsof er eenige verdienstelijkheid in de werken der barmhartigheid verborgen was, zijne gelijkenis in dezen vorm. Waarom toch wanen wij dat onze aalmoezen en offers iets verdienen ? Omdat wij, doortrokken van den waan, alsof wij zeiven de eigenaars onzer goederen waren, meenen, dat wij van ons eigen geld milddadig zijn. Deze

1) Vgl. Rora. 15 : 27 ; 1 Cor. 9 : 11.

Sluiten