Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scnap aan het feestmaal bekleedt, i) en eene plaats der smarte, „eene hel". In het paradijs worden de vromen opgenomen ; daarentegen worden de zondaren naar de nacht zijde dezer wereld verwezen, alwaar ieder hunner zijne eigene plaats heeft, door den graad zijner verdorvenheid en strafwaardigheid bepaald. De rabbijnen dachten zich deze beide afdeelingen der geestenwereld door een hoogen muur vaneen gescheiden ; Jezus echter, wiens voorstelling zich overigens aan de rabbijnsche aansluit, verandert het beeld van den „muur ' m dat van een „afgrond", omdat dit laatste de onmogelijkheid, om van de eene afdeeling in de andere over te gaan, duidelijker in het licht stelt. Het gansche gebied van den hades behoort nog tot de tegenwoordige „eeuw", ») geenszins moeten wij het tot de eeuwigheid brengen. Het ic het gebied, waar de dood zijne laatste sterkte heeft, tot de kracht des Opgewekten er zich gelden laat, in de opwekking \an al de zielen, die er zich onder zijne macht bevinden, 't Is de opstanding, die aan den hades een einde maakt; dan wordt hij overbodig, omdat, met deze, alles van voorloopig, onveranderlijk, en van gedeeltelijk, volstrekt wordt. Dan gaan de bewoners van het paradijs in het eeuwige leven, terwijl de zondaren geworpen worden in den poel des vuurs. 3) De hades, beide als plaats en toestand gedacht, beantwoordt dus aan den staat, waarin zich zielen .bevinden, die nog niet geoordeeld zijn. Het is, naar zijne lichtzijde gedacht, de hemel met, maar zijn paradijs, en evenmin, naar zijne nachtzijde beschouwd, de hel, maar haar begin.

Niet in het paradijs ontwaakte de rijke, gelijk hij gedroomd had, gesteund door de stelling der farizeeën : elke besnedene is zalig; maar „in de pijn". Hij heeft zijn hart medegenomen naar de wereld der geesten; en dat is zijn ongeluk. Immers is het vol van vleeschelijke begeerten; het is enkel honger en louter dorst naar de „grootschheid des levens, de lusten

1) Luk. 13 : 25. 2) Aeoon. 3) Openb. 20 : 14.

17

Sluiten