Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De dood kan harten breken, maar scheiden niet; den haat doodt hij, maar de liefde nooit. Onze liefde leeft weenend voort, en bewijst hare onsterfelijkheid in hare tranen. Als wij des nachts onze dooden in onze droomen wederzien, gevoelen wij ons 's ochtends bij het ontwaken nergens meer thuis. Wij zijn op reis, op reis naar onze dooden. Och kwam een engel ons iets van hen verhalen, liefst dezelfde, die hen onlangs naar boven droeg!

Hoeveel hadden wij te vragen! Zouden zij in hun hart nog een plaats voor ons hebben? Ongetwijfeld. In de harten der hemelingen is veel ruimte. Ook ons dragen zij in hun hart. Wel beminnen zij het eigen vleesch in ons niet meer, en is de enkele verwantschap der neigingen ter verbinding niet langer voldoende ; maar de herinnering aan de hulp, die onze hand hun bewees, onder hun arbeid om de beeldtenis huns Heeren in zich te voltooien, bindt hen aan ons, met eene liefde, even bijzonder als onvergankelijk. Reeds daarom behoeft de liefde tot hunnen Heer geen wed strijd te houden met hunne liefde tot ons ; want zij beminnen ons omdat wij hen hielpen Hem te beminnen. Maar zouden zij nog zorg over ons hebben ? Allerminst. Ik zie uit den hemel, van de oogen eens verheerlijkten, een traan van vreugde vallen op het kruis, dat hij op aarde achterliet. Indien hij met zijne eigene geschiedenis verzoend is, hoe bitter zij eens was, zou hij dan kommer hebben over wat ons wedervaart? Immers is hun God ook de onze. Zij kunnen niet zorgen, omdat zij ons, niet slechts door engelen, en gebeden, maar door een God, die voor ons gestorven is, omringd weten. Dezelfde Christus, die de levenden troost wegens de dooden, stelt de dooden over de levenden gerust. Maar zouden zij dan nooit meer voor ons bidden? Zoudt gij het willen ? Immers moet hij, die iets bijzonders voor ons vragen zal, ons van nabij kennen, en kondet gij dan wenschen, dat zij alles van u wisten, al uw smart en al uw kwaad ? Gelijk hun, zij het u genoeg dat uw Heer

Sluiten