Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TROOST TEGEN DEN DOOD-

I.

Wanneer onze kinderen ons voor liet eerst van sterven hooren spreken, vragen zij ons: „vader" of „moeder", sterven wat is dat? Dan zeggen wij hun, dat dit zooveel beteekent, als bleek en koud te zijn, en dan in een planken kist, met een zwart laken er over, ginds op het kerkhof, waar al de boomen hun takken naar beneden laten hangen, in het zand te slapen worden gelega. Onze kinderen huiveren als zij het hooren; 't is een teeken dat zij niet geboren zijn om te sterven, maar om te leven. Moet ik ook sterven ? zoo vragen zij, en zien ons aan, en hopen dat wij zeggen zullen: „O, neen, mijn kind, o neen!" Tegen ons hart in zeggen wij de waarheid; wij kunnen onze kinderen den waarborg niet geven dat zij lieden avond nog bij ons zullen zijn. Dan hooren zij ons aan, en zwijgen zoo stil, alsof de dood hen aanblies. En wij ? Ach, als wij zeiven nergens anders dan bij de wijsheid dezer eeuw ter school hebben gegaan, dan moeten wij ook zwijgen. De dood brengt geen trooster mede en achter 's levens avond is het nacht. Wat zoudt gij dan antwoorden als zij u eens vroegen: „Vader, moeder, was het maar niet beter dat ik nooit geboren was? Wat u trouwens recht gaf om wezen» te

Sluiten