Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE HOOFDSTUK.

De Kwestie van het Agrarische Program

I.

Op het Utrechtsche Kongres (1901).

Bij de behandeling van onze direkte eischen op het gebied van den landbouw, aan de orde op het „verkiezingskongres" van April 1901 te Utrecht, viel de eerste botsing voor die wij hier hebben te gedenken. Het was ook de eerste keer dat Troelstra de taktiek gebruikte die hij later stelselmatig aanwendde en die de vrijheid van spreken opheft of krachteloos maakt: het wekken van partijhartstocht tegen de personen van andersdenkenden. De lezer zal zich den afloop herinneren: de door Gorter c. s. hoofdzakelijk bestreden punten zijn, na behandeling in een kommissie, van het program weggenomen.

„In zake Partijleiding" bevat op bl. 15—22 een overzicht van het gebeurde dat naar onze meening ver van juist is. Dat Troelstra met alk kracht voor de bedoelde punten is opgekomen, zoowel bij de beraadslagingen van het kongres als onmiddellijk na het besluit tot instelling eener kommissie, wordt men uit dat overzicht niet gewaar. Evenmin dat deze „agrarische kommissie" in anderen zin heeft beslist, en op welke gronden. Onder de vele „bijlagen" had een gedeelte van haar rapport niet mogen ontbreken. De indruk dien de lezer uit Troelstra's overzicht moet krijgen, is dat Gorter op een oogenblik dat de kwestie nog geheel en al in voorbereiding was, met haastige en ongegronde konklusies kwam die hij het Kongres wilde opdringen.

Zoo begint Troelstra met te zeggen dat „de agrarische kwestie in het voorjaar van 1901 in het algemeen nog niet rijp was voor beslissing." De diskussies in Duitschland moesten grootendeels nog komen „om over alle strijdvragen het noodige licht" te verspreider. Kautsky had wel een artikel in den Nieuwen Tijd geschreven, maar wegens gebrek aan „voldoende bekendheid ' met de onmisbare gegevens, had men daaraan „weinig houvast". — Alles zeer mogelijk, maar dit neemt niet weg dat er een zeer nauivkeurig omschreven landbouwprogram van de S. D. A. P. bestond, dat dit program op het kongres te Utrecht aan de orde kwam, dat de propagandisten en kandidaten het bij de verkiezingen van dat jaar te verdedigen hadden, en dat Troelstra de door Gorter en anderen afgekeurde gedeelten met de meeste beslistheid in bescherming nam . . .

Eén omstandigheid geeft aan de voorstelling van Troelstra, in

Sluiten