Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze de officieele leiding blijft erkennen, geen ophef die met de waarheid strijdt, geen bemiddeling door den ophef teniet gedaan. Troelstra zelf trouwens moest bekennen in zijn antwoord op dit artikel — in welk antwoord hij nogmaals op ekonomische staking van het spoorwegpersoneel aandringt, en het „zelfmoord" noemde wanneer men langer zou wachten — dat de gedachtewisseling over het onderwerp nuttig was: „Dat er partijgenooten zouden zijn, die als de inzendster op zoo waardige en zakelijke wijze heeft gedaan, hierover nog wel eens nader met ons van gedachten zouden willen wisselen, alsvoren hun oordeel te bepalen, lag voor de hand en is zeer nuttig, tot welke konklussie men ook mogen komen."

Thans zegt hij van hetzelfde artikel in zijn brochure. „Dat zij, die evenals ik achter de schermen had gezien en de dwaze ideëen over een dwangstaking bij een deel der leden van het komitee kende, op een oogenblik dat zij van anarchistische zijde tot zulk een „avontuur" werden aangespoord, mij in mijne pogingen om het karakter der staking scherper te belijnen en daardoor dat avontuur te voorkomen, openlijk tegenwerkte, is een onvergeefelijke fout."

Hoe ongerijmd dit verwijt is heeft de lezer reeds uit het korte citaat uit het stuk van Mevr. Holst kunnen opmaken. Niemand heeft het „karakter" zoo scherp belijnd als zij (»). Maar hoe kon hy verwachtten dat zijn bedekte tegenwerking, die Troelstra bovendien zelf telkens krachteloos maakte door tegelijk „uit een groot gat te blazen," en die in het publiek nooit den vorm kreeg van een praktisch voorstel, aan den gang van zaken iets zou veranderen'?

Wij hebben nu genoeg meegedeeld van de kritiek der N. Tijdgroep om te doen zien: ten eerste dat zij geheel en al met de aanmerkingen van andere patijgenooten op het Enschedeesche kongres overeenkwam, en bovendien dat de eer en het belang van de arbeidersbeweging dringend eischten dat ze in het openbaar en op het oogenblik zelf werd uitgesproken. Protest uit onze eigen rijen was dringend noodig; de gemakkelijker positie van na afloop te zeggen hoe men had moeten doen, kon niet worden afgewacht. Laten we zien hoe Troelstra verlangd had dat zijn „leiding" was opgenomen.

Wij herinneren aan de uitspraak van het vorig partijbestuur in het rapport over zijn „grieven," dat bij deze gelegenheid de leiding niet bij Troelstra berustte. Dit belet hem niet te klagen over het gemis van discipline door Gorter c.s. betoond — alsof hij door zijn tegen-leiding niet het grootste vergrijp gepleegd had tegen deze onmisbare voorwaarde van allen georganiseerden strijd. Troelstra heeft

(1) Troelstra meent mevr. Holst op een andere „fout" te betrappen door te wijzen op twee verschillende voorstellingen door haar gegeven van de politieke werkstaking in Zweden, eenmaal als een dwangmiddel (in het Volk van 24 Maart 1903) en later als demonstratie, in haar boek * Algemeene werkstaking en Sociaaldemokratie." Aannemende dat de schrijfster in 1903 niet juist was ingelicht over het „karakter" van die gebeurtenis, kan dit bezwaarlijk bewijzen dat haar het verschil tusschen dwang en protest „eerst later duidelijk is geworden."

Sluiten