Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de omstandigheid dat hij ging oordeelen in eigen zaak hem wel de

onbevangenheid had gelaten voor een billijk oordeel onmisbaar. Zoo als ze voor ons ligt is deze kritiek van een debat gevoerd door personen, bevoegd en geroepen over de vervulling van de post aan de kourant te beslissen, een onbeschaamd geschrijf. Het ging om hém, zegt Troelstra, het ging zelfs tegen hem: welnu, dat de sprekers dus niet konden hopen of verwachten het hem naar den zin te maken, is vrij natuurlijk. Dat Troelstra er erg boos om gewor den is, zal hen niet hebben verwonderd, maar mocht voor hen geen reden zijn anders te spreken dan zij dachten. Doch wat te denken van een leider die een benoeming verlangt mede uit handen van dezelfde afgevaardigden wier gevoelen wanneer het ongunstig voor hem is, hij als scheurpapier behandelt? De verklaring gaven wij reeds: die afgevaardigden, schreef hij, waren zijn vijanden, geen partijgenooten die zijn leiding en die van Tak beoordeelden, volgens hun plicht, maar tegenstanders, leden van een groep welke hem de leiding betwistte, vertegenwoordigers eener oppositie die hij, Troelstra, tegen hen zou voeren, wanneer zij aan het roer zaten. Doch de vrijheid van spreken is in groot gevaar als het in onze Partij mogelijk is dat leden die, toen de zaak aan de orde was, over de redaktie van Troelstra spraken op een manier die Troelstra mishaagde, later aan de brutaliteiten van zijn Juli-artikelen en de brochure worden blootgesteld.

Troelstra zegt verder dat deze afgevaardigden een komedie speelden omdat de kongresleden meerendeels niet wisten wat er gebeurd was, van zijn kandidatuur geen kennis droegen; daarvan, zegt hij,

„en van de dwangpositie, die mij zelf het zwijgen oplegde, hebben de tegenstanders mijner kandidatuur een dankbaar maar weinig ridderlijk gebruik gemaakt, om hun doel te bereiken." (bl. 74.)

Doch hoe, vragen wij, had Troelstra dan gewild dat afgevaardigden, die tegenstanders van zijn kandidatuur waren, die over de vervulling van de redaktie mochten en moesten oordeelen, gesproken hadden ? "Hij ziet in dien tegenstand zelf een even onbegrijpelijke als onvergefelijke boosheid, zoo is de klacht dat deze „vijanden nog onridderlijk waren bovendien, verstaanbaar. Maar overigens en in werkelijkheid was het veeleer onridderlijk een kandidatuur te verzwijgen, die, als Tak bij zijn voornemen was gebleven (wat algemeen verwacht werd) plotseling bekend had moeten worden gemaakt, ook in dat geval als de eenige kandidatuur, die volkomen onvoorbereid meteen hoeraatje aangenomen en zeer waarschijnlijk niet behoorlijk gediscussieerd zou zijn geworden. Juist zij, die, wetende wat niet ieder wist, en nogthans door hun geweten verplicht voor Tak te spreken, waren belemmerd in hun woorden tot het kongres omdat ze verplicht waren een kandidatuur te bestrijden die openbaar en officieel niet bestond. Zij waren dit bovenal omdat deze tweede kandidatuur, zoo Tak had volgehouden, ieder oogenblik gesteld had kunnen worden, maar dan misschien te laat voer een regelmatige behandeling.

De vraag is bovendien aan wie de schuld ligt voor deze raad-

Sluiten