Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vóór het begin van den oorlog kunnen zij, indien daartoe termen zijn, voor de gewone rechtbanken worden getrokken; na het uitbreken van den oorlog slechts gevangen gehouden worden.

Bespieding tijdens eene wapenschorsing of een wapenstilstand wordt als spionneering gestraft.

Art. 30.

De op heeterdaad betrapte spion zal niet zonder voorafgaande rechterlijke uitspraak kunnen worden gestraft.

Hij wordt behandeld volgens de wetten welke in het leger, dat hem heeft gegrepen, van kracht zijn. Hij is niet buiten de wet en kan dus zonder vonnis niet worden opgehangen of gefusilleerd. (Generaal von Voigt-Rhetz ter Bruss. Conf.)1) Tot voor weinige jaren dacht men het recht te hebben hem, zooals men het noemde: „ zonder vorm van proces op te knoopen." Thans is men tot andere inzichten gekomen.

Art. 31.

De spion die, nadat hij het leger waartoe hij behoort weder heeft bereikt, later door den vijand wordt gevat, wordt als krijgsgevangene behandeld en kan voor zijn vroegere daden van spionnage niet meer ter verantwoording worden geroepen.

Hier, als bij de krijgsgevangenschap, wischt het gelukken, de ontkoming, de vroegere daad uit. De straf, op spionneeren gesteld, is zóó zwaar, dat alleen op deugdelijk bewijs mag gevonnisd worden. Slechts één bewijs is geldig: het betrappen op heeterdaad.

Beschouwing over spionneeren.

Ofschoon spionneering, krijgsverraad, landverraad en oovlogsrebellie niet even strafbaar zijn, worden die daden echter veeltijds met dezelfde en wel met de doodstraf bedreigd. Bij een góed recht behoort de straf geëvenredigd te zijn aan het misdrijf. Het opleggen van eene éénige straf' voor verschillende niet gelijksoortige feiten, schijnt derhalve onbillijk.

1) Actea, p. 43.

Sluiten