Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

feit beschouwd en ernstig op wijziging dezer voorwaarde aangedrongen. Generaal von Stiehle verklaarde, dat de Koning, verontwaardigd, dat verscheidene Fransche officieren vroeger hun woord geschonden hadden, aan het Duitsche leger, hetwelk de verontwaardiging des Konings deelde, eene genoegdoening wilde geven, door voortaan aan de Fransche officieren de gunst, den degen te behouden, te ontzeggen.

Op herhaalden aandrang werd hieromtrent echter nader naaiden Koning te Versailles getelegrapheerd, die op zijn gestrenge uitspraak terugkwam.

Waarop bij eene capitulatie moet worden gelet. Hij, die capituleert, moet in de eerste plaats trachten de strijdkrachten, waarover hij beveelt, voor den dienst van den Staat te behouden, voorts zorgen, dat, door de voorwaarden van overgaaf, geen smet op de eer der wapenen worde gelegd; daarna moet hij trachten de meest gunstige voorwaarden voor het lot zijner officieren en manschappen te bedingen; eindelijk, wanneer eene vesting wordt overgegeven, zal hij voor de belangen der burger-bevolking hebben te waken en voor die van allen, die op eenigerlei wijze aan de verdediging hebben deelgenomen.

Ofschoon een enkel precedent geen rechtsregel stelt, kunnen er omstandigheden voorkomen, waarbij het van gewicht is, dat de onderhandelende officier zich dadelijk voor den geest stelle, welke voorwaarden voormaals bij soortgelijke omstandigheden zijn verleend, alsmede dat ieder een duidelijk begrip hebbe van de usantiën en de rechtsgevolgen eener bedongen voorwaarde.

Hoe noodig dit is, zien wij uit de capitulatie van Metz, toen Bazaine, 28 Oct. 1870, bij dagorde aanbeval de wapenen en het materieel niet te beschadigen, omdat, zeide hij, Frankrijk deze, krachtens de oorlogsgebruiken, na den vrede moest terugontvangen '). Bazaine kon weten, dat, daar die bepaling niet in de capitulatie-voorwaarden was opgenomen, geen enkele regel van het volkenrecht die teruggave voorschreef. Zoo werd op Generaal Uhrich, door eene commissie van enquête de blaam gelegd, dat hij, vóór de overgave van Straatsburg, de wapenen niet had doen vernielen. „Ik kan mij begrijpen," was diens verdediging, dat de bevelhebber van een militairen post, gelijk eene citadel, indien hij de verdediging niet langer kan voortzetten, zijne stukken vernagelt, zijn kruit onder water zet en, de poort openende, tot de belegeraars zegt: ..Komt binnen, mijne heeren! ik geef mij over." Maar heeft men eene bevolking van 80.000 zielen achter zich, dan moet men met den vijand onderhandelen, eene verzachting trachten te verkrijgen van het lot der ongelukkigen, die reeds zooveel in hunne personen en goederen verloren hebben. Vóór het

Procés Bazaine, p. 203.

Sluiten