Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1868 als „modus vivendi" voor den duur van den oorlog toe te passen.

Eene dergelijke gedragslijn werd in den oorlog tusschen Spanje en de Vereeiiigde Staten in 1898 gevolgd; de diplomatieke beseheiden behoorende bij de Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1899 bevatten hieromtrent uitvoerige inlichtingen, waaruit de toenmalige stand der zaak, en ook de tekst der bewuste artikelen blijkt.

„ 30 December lHitK

In de circulaire van graaf Mouravieff van -,t januari ihoïT werden de beide volgende punten vermeld onder 5°. en 6°., om als voorstellen aan de Vredes-conferentie te worden voorgelegd:

„ 5°. Adaptation aux guerres maritimes des stipulations de la Convention de Genève de 1864 sur la base des articles additionnels de 1868";

„6°. Neutralisation au mème titre des navires ou chaloupes, chargés du sauvetage des naufragés pendant ou après les combats maritimes".

De uitwerking van deze punten van het programma werd toevertrouwd aan de door de Conferentie op 28 Mei benoemde tweede Commissie, welke zich splitste in twee ondercommissiën; de eerste ondercommissie, tot wier voorzitter werd gekozen de Nederlandsche gedelegeerde Staatsraad mr. T. M. C. Asser, had tot taak eene regeling omtrent gemelde punten te ontwerpen.

De definitieve tekst van dit ontwerp werd vastgesteld door de Commissie van Redactie bestaande uit: den vice-admiraal Sir John Fisher, Britsch gedelegeerde, den kapitein-luitenant ter zee Scheine, Russisch gedelegeerde, den kapitein ter zee S ie gel, Duitsch gedelegeerde en den hoogleeraar Renault, Fransch gedelegeerde. Deze laatste was als rapporteur werkzaam.

Het ontwerp en het rapport werden door de Commissie in de zitting van 20 Juni 1899 goedgekeurd, terwijl de Conferentie denzelfden dag haar zegel aan dezen arbeid hechtte.

Ten opzichte der artikelen van het verdrag kan worden verwezen naar de Protocollen der Conferentie (deel I, beraadslagingen der Conferentie, bladz. 25—41, en deel III, bladz. 3—24 beraadslagingen der Commissie en bladz. 58—84 beraadslagingen der ondercommissie). Op bladz. 30 van het eerste deel vindt men het rapport van den heer Renault, dat een uitnemenden commentaar geeft op de artt. 1 tot en met 10.

De artt. 11, 12, 13 en 14 zijn gelijkluidend met de artt. 2, 3, 4 en 5 van het verdrag nopens het oorlogsrecht , behoudens, dat in art. 13 voormeld de landen die het verdrag niet hebben onderteekend, daaraan alleen dan kunnen toetreden, wanneer zij ook het verdrag van Genève hebben aanvaard.

Nadat de Conventie door de meerderheid der op de Conferentie vertegenwoordigde landen geteekend was, is bij sommige Regeeringen, die nog niet hadden onderteekend, bezwaar gerezen

Sluiten