Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De feitelijke toestand, tijdens het sluiten van den vrede, maakt, omtrent de souvereine en eigendomsrechten, den grondslag uit van den nieuwen vredestoestand, tenzij het tegendeel in het vredesverdrag uitdrukkelijk is bepaald.

Krijgsgevangenen worden met den vrede rechtens ontslagen.

Omtrent de maatregelen tot het invorderen van de door hen gemaakte schulden kunnen tusschen partijen bepalingen worden gemaakt.

De verdragen, tijdens den oorlog geschorst, treden met het sluiten van het vredesverdrag stilzwijgend weder in werking, in zooverre zij door dat verdrag niet zijn opgeheven, gewijzigd of zaken betreffen, die sedert den oorlog zijn veranderd of niet meer bestaan.

Aan afstand van grondgebied is de afstand verbonden van alle rechten, door het staatsgezag, binnen het afgestaan gebied, uitgeoefend, van alle inkomsten, die de Staat daaruit trok en van alle archieven, die op het afgestaan gebied betrekking hebben. Privaatrechten blijven van kracht. Zij kunnen echter, volgens de regelen van het privaatrecht, dat in den nieuwen Staat geldt, worden gewijzigd, wanneer dit voor het nieuwe staatsverband noodzakelijk is. Staatsburgerlijke rechten worden opgeheven !).

1°. De inkomsten, die met het gebied worden afgestaan, rekenen slechts van het oogenblik, dat de afstand is geschied. De Staat, die den afstand deed, behoudt derhalve aanspraak op de vroegere inkomsten, die nog invorderbaar zijn. Dit kan het geval wezen bij inkomsten, waarover wordt geprocedeerd.

Archieven behooren tot het land.

Overgave van archieven, documenten en registers, op het burgerlijk, militair en rechterlijk beheer der door Frankrijk aan Duitschland afgestane gewesten, werd bij art. 8 van het Vredesverdrag van Frankfort bepaald bedongen.

Volgens art. 4 van dat verdrag behoorde Frankrijk, binnen zes maanden na de uitwisseling der bekrachtiging, aan Duitschland uittekeeren:

a. de gelden, die door de departementen, gemeenten en openbare inrichtingen van het afgestaan gebied in bewaring waren gegeven;

1) Hugo de Groot, III, 20, § 22. Bluntschli, § 707. — Heffter, § 181.

Sluiten