Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en andere tot het strafproces behoorende stukken worden bewaard en de door de wet gevorderde afschriften van vonnissen en andere stukken worden gemaakt. Zie in verband hiermee de wet van 18 April 1874 Stb. n°. 66 tot vaststelling der tarieven van geregtskosten in strafzaken, gewijzigd door de wetten van 28 Juni 1876 Stb. n°. 141, 28 Augustus 1886 Stb. n°. 131, 15 April 1896 Stb. nu. 70 en 29 April 1901 Stb, n°. 94, en het daarbij behoorend Koninklijk Besluit van 18 December 1874 Stb. n°. 212, gewijzigd bij Besluit van 26 September 1886 Stb. n°. 171 en van 13 Augustus 1903 Stb. n°. 256, li -O,

Op de samenstelling der rechterlijke colleges bij de kennisneming van eene bepaalde zaak kunnen van invloed zijn de bepaling van art. 149 Sv., waarbij aan den rechter, die als rechter-commissaris de zaak heeft onderzocht, de bevoegdheid ontnomen wordt om aan het onderzoek ter terechtzitting deel te nemen, het voorschrift van art. 23 R. O., verbiedende dat een lid van den hoogen raad of van eenig hof of rechtbank tot commissaris of rapporteur zal mogen worden benoemd in eene zaak, in welke een zijner bloed-of aanverwanten tot den derden graad ingesloten als advocaat of procureur werkzaam is of is geweest en voorts de bepalingen, in den vijftienden titel van het Wetboek van Strafvordering opgenomen omtrent de wraking en verschooning van rechters.

> De redenen van wraking worden vermeld in art. 321 Strafv. Zij betreffen alleen de leden van het rechterlijk college of den kantonrechter, niet de leden van het openbaar ministerie of van de griffie, en kunnen zoowel door den beklaagde als door het openbaar ministerie worden aangevoerd. Dezelfde redenen, die tot wraking kunnen aanleiding geven, kunnen voor den rechter zelf gelden als grond om zich te verschoonen. Bovendien kan hij dit nog doen, gelijk art. 329 zegt, „op andere billijke gronden". De wijze, waarop de procedure hier geregeld i® — <le rechter moet zijne gronden opgeven aan het college waartoe hij behoort en zich aan diens beslissing onderwerpen — maakt het voor den kantonrechter onmogelijk van het recht om zich te verschoonen gebruik te maken, zoodat art. 329 moet geacht worden niet op hem van toepassing te zijn. Trouwens

Sluiten