Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan moet de beteekening plaats vinden aan zjjne laatste verblijfplaats. Vindt de exploiteerende beambte den beklaagde noch iemand van diens huisgenooten aan zijne woon- of verblijfplaats, dan zal hij handelen op gelijke wijze als voor dat geval bjj art. 2 Wetb, v. Burg. Rechtsv. is voorgeschreven, terwjjl de beteekening aan den beklaagde, die hier te lande niet eene bekende woon- of verblijfplaats heeft en ook vroeger niet gehad heeft '), zal plaats vinden door middel van aanplakking van het afschrift aan het gebouw waar de rechtbank zitting houdt. De inachtneming van al deze formaliteiten is op straffe van nietigheid voorgeschreven Dit is niet het geval met het voorschrift in de slotalinea van het artikel opgenomen, dat indien de beklaagde eene bekende verblijfplaats in het buitenland heeft, de exploiteerende ambtenaar een afschrift van het exploit bjj aangeteekenden brief aan den beklaagde zal verzenden. Krachtens de bepaling van art. 7 geldt art. 144 voor alle dagvaardingen en beteekeningen van stukken tot het strafgeding behoorende 3). Bjj de beteekening moet aan den beklaagde een afschrift worden gelaten. Het beginsel van het tweede lid van art. 1 Rv., dat het afschrift bjj dengene, die het ontvangen heeft, als het oorspronkelijke stuk zal gelden en dus de geldigheid van het exploit naar

') H. R. 21 Januari 1895; W. 6621 en 8 April 1907; W. 8526. Indien het bestaan van eene laatste verblijfplaats onbekend is, mag de beteekening geschieden op de wijze bij het derde lid vastgesteld. Vgl. H. R. 13 Juni 1905: W. 8247, P. v. J. n" 471/» •

..... - « <qil . j£ ' , y 7o

2) Wanneer uit het exploit niet blijkt, dat de persoon, aan wien het l* gedaan, is een huisgenoot van hem, aan wien het moest worden beteekend, is het exploit nietig. Vgl. arrest H. R. van 7 Februari 1887; W. 5399. Natuurlijk is de letterlijke opvolging van dit voorschrift niet mogelijk, wanneer volgens het slot van de eerste alinea van art. 144 de beteekening moet geschieden aan de laatste verblijfplaats hier te lande. Vgl. H. R. 4 Juni 1895; W. 6687; P. v. J. n°. 56 en 20 April 1903; W. 7918; P. v. J. n°. 247. Over de beteekenis van het woord „huisgenooten" zie H. R. 26 November 1906; W. 8462; P. v. J. n°. 614. jt- n 'f -i . Z

3) Vgl. overigens over de te beperkte redactie van art. 7 mr. A. A. de Pinto, Het herziene W. v. Sv„ I bl. 140-142, en over de vraag, in hoeverre de artt. 7 en 144 ook van toepassing zijn op het bevel tot betaling der boete in belastingzaken, mr. Nypels, T. v. Str., I 208-210 en Het rijksfisraal strafprocesrecht, bl. 118-122, waar hij een tegenovergesteld gevoelen bestrijdt van mr. J. J. Gockinga, T. v. Str., I 428-430.

Sluiten