Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den wen; door de wet aangewezen; volgens de andere, welke de vrjje bewjjstheorie wordt genoemd, behoort de bewjjsleer niet in de wet te worden opgenomen maar blijven de te volgen regels aan de wetenschappelijke opvatting van den rechter zelf overgelaten,1). Het is vooral tusschen deze beide richtingen, dat zich te onzent de strijd omtrent de regeling van het bewjjsrecht beweegt5).

Bij die regeling komen dan voorts drieërlei soort van bepalingen in aanmerking3). Allereerst die, welke de bewijsvoering betreffen en de wijze regelen, waarop de rechtër~van net bestaan van de verschillende bewijzen in kennis wordt gesteld. De tweede categorie bevat de bepalingen, waarinde bewijsmiddelen worden aangewezen, die bjj het vestigen van zijn oordeel door den rechter mogen worden gebruikt. Tot deze behoort in de allereerste plaats het voorschrift van art. 392, waarin de door de wet erkende bewijsmiddelen worden opgenoemd; en verder de bepalingen van de artt. 162, 164 en 165 Sv., in welke artikelen wordt vastgesteld welke personen niet of althans niet dan onder zekere omstandigheden onder eede als getuigen mogen worden verhoord. De derde Boort van bepalingen eindelijk regelen de bewijskracht van de verschillende in de wet vermelde bewijsmiddelen en zijn in

') Pols< L a- P- bl- 55- Modderman, t. a. p. blz. 162 vlg., betoogt terecht, dat het eene dwaling is, als zou bij de huldiging der vrije bewjjstheorie de geheele bewijsvoering vervallen en slechts op eene intieme convictie kunnen worden gevonnist. Vgl. ook Glaser, t. a. p. bl. 23—33. Xn hngeland geldt ook Mj__de juryrechtspraak eene door de gewoonte uitgeweikte law of evidence. Zie Jelf, The law of evidence in criminal cases, en verder de literatuur vermeld in Binding's Grundriss. 4de uitgave, bl. 4oï

2) Voor het behoud der wettelijke bewijsregelen verklaarde zich vooral mr. M. S. l'ols, Ihemis 1882 bl. 333 vlg. en, hoezeer in beperkten zin, mr. A. A. de Pinto. Handl. Strafv., bl. 635 noot a, speciaal bl. 637. Laatstelijk ook mr. N. de Kidder in T. v. Str., XIII 279. Voor de vrije rechterlijke overtuiging Modderman, t. a. p. bl. 178 vlg.; de Boschlvemper, De strafvordering in hare hoofdtrekken beschouwd, bl. 187 vlg. en mr. O. Q. van Swinder.m in Themis 1898 bl. 406-409. Vgl. voorts de Handelingen der .lunsten-Vereeniging 1882 I bl. 99 en II bl. 144 vlg. en mijn opstel, Een paar vragen nasy aanleiding van onze wettelijke bewiisleer in T v' Str., XII 252 vlg. / ' '

3) Mr. A. A. de Pinto, t. a. p. Modderman, t. a. p. bl. 169 vlg.

Sluiten