Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te worden rekening gehouden '). I)e authentieke akten bewijzen ook in het strafproces niet meer dan de waarheid van hetgeen daarin door den ambtenaar als voor hem geschied of verklaard wordt meegedeeld, niet den inhoud der opgenomen verklaringen zelf2), en ook bij de vaststelling der bewijskracht van de onderhandsche akte zal er rekening mede moeten worden gehouden, dat de daarin opgenomen verklaringen voor den onderteekenaar niet tevens het bewjjs leveren, dat die verklaringen waar zijn3). Overigens hebben zoowel de authentieke als de onderhandsche geschriften in het strafproces eene beperkter bewijskracht dan in het civiele geding, waarin tegen den inhoud dier geschriften het bewijs door getuigen is uitgesloten. Deze bepaling van art. 1934 B. W., in strijd met art. 394 Sv. ' en met het beginsel, dat het in het strafproces om materieele waarheid te doen is, vindt evenmin als eenige andere beperking van het getuigenbewijs in het strafgeding toepassing *),{ Eene bjjzondere bepaling, in verband met de bewjjskracht aan schriftelijke bescheiden toegekend, wordt gegeven in art. 401. Volgens dit artikel zullen de verklaringen, verbalen of relazen, opgemaakt door hen die in eenige openbare posten, ambten of bedieningen gesteld zijn, om als schriftelijke bescheiden te gelden, door hen moeten zijn opgemaakt op den eed bij den aanvang hunner bediening afgelegd of wel daarna met eede bevestigd worden. De beteekenis aan deze, op zich zelf vrij onduidelijke, bepaling gegeven is, dat aan deze aldus

') De bedenking van prof. Pols, t. a. p. bl. 69, dat de artt. 1904 vlg.in foro poenali niet van toepassing kunnen zijn, omdat deze slechts de bewijskracht der acten tusschen partijen regelen, berust m. i. op eene te beperkte opvatting van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Zie vau Boneval Faure, Het Ned. Burg. Procesrecht, dl. 4 bl. 113 vlg. Vgl. art. 1912 volgens het Ontwerp van wet tot wijziging van de eerste zes Titels vau het Vierde Boek van het Burgerlijk Wetboek. £*< •" /'./> y

2) Vgl. de belan^riike arrp.st.ftn van <lp.n R R van in Vf™»* idan. mr

«_» 0 7/ — ■ —— — — — " • -»-*• '«•" »V .11 tilt I L lUl/U, vy .

5853 en van 15 December 1890; W. 5974; v. J. 1891 n°. 35. hJ ifiv 3) Zie over de bewijskracht van onderhandsche geschriften art. 1917 van bedoeld ontwerp.

*) De Pinto, t. a. p. bl. 650; Léon, aant. 13 ad art. 436; arrest van 16 Januari 1899; W. 7234; P. v. J. 1899 n». 12. De bepaling van art. 1934 vervalt volgens het in noot 1 vermelde ontwerp. Zie echter art. 1912 lid 2 en vgl. met het in den tekst geciteerde art. 394 Sv. art. 1906 Ontwerp.

Sluiten