Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het strafproces betrekking hebbende. Deze geschriften ontlecnen hunne kracht van bewijs aun het algemcenc voorschrift van art. 400 '). Daar de verbalen, opgemaakt volgens art. 401, niet anders zijn dan in schrift gebrachte getuigenverklaringen, zijn zij onderworpen aan het voorschrift van art. 398 J).

Hoewel in mindere mate dan in het vroegere strafproces, mag de bekentenis. het derde bewijsmiddel door de wet genoemd , ook thans nog als de regina probationum worden beschouwd3). Zij levert, naar de bepaling van art. 403, op zich zelf volledig bewijs op van hetgeen zij inhoudt, mits zij vergezeld ga van eene bepaalde en nauwkeurige opgave van omstandigheden, welke door andere bewijsmiddelen buiten de bekentenis om bevestigd worden. De eenvoudige verklaring van iemand, dat hij de dader is van een gepleegd misdrijf, wettigt dus zjjne schuldigverklaring niet, maar wanneer hjj die verklaring aflegt onder opgave der omstandigheden, waaronder het misdrijf door hem zou zijn gepleegd, en deze omstandigheden van elders bevestiging vinden, is de afgelegde bekentenis een volledig bewijs, zonder dat van de eigenlijke handeling, die het misdrijf vormt, nog door nadere aanwjjzingen behoeft te blijken 4).^De aan de bekentenis toegevoegde omstandigheden moeten, volgens art. 403, uit andere bewijsmiddelen bekend zijn, waartoe ook kan behooren de verklaring van den persoon tegen wien het misdrjjf is gepleegd 3). Deze verklaring is, volgens de jurisprudentie van den Hoogen Raad0), ook dan voldoende, wanneer zij buiten eede is afge-

!) Léon, aant. 1 ad art. 436; Hulshoff, aant. 16 ad art. 401. Zie ook de arresten van 19 December 1904; W. 8160; P. v. J. n°. 405 en van 18 Februari 1907; W. 8499; P. v. J. n°. 626. Vgl. voorts mr. A A. de Pinto, Handl. Strafv., bl. 652 noot b en in anderen zin mr. A. de Pinto, t. a. p bl. 652.

») Zie o. a. arrest H. R. 8 April 1907; \V. 8524. "'

3) „Das Gestandnis in Strafsachen" van Dr. jur. Ernst Lohsing, Juristisch-psychiatrisclie Grenzfragen, Dritter Band Heft 1/3.

Ook de bekentenis van den beklaagde komt alleen in aanmerking in zoover zij loopt over feiten, welke de beklaagde zelf gehoord, gezien of ondervonden heeft; Hulshoff, aant. 4 ad art. 403; H. R. 27 Juni 1904W. 8092; P. v. J. n°. 364. /*

5) Vgl. Hulshoff, aant. 7 ad art. 403. n- ./ ) /y/ J, ' "

6) Leon, aant. 3 ad art. 439; Hulshoff, aant. 8 ad art. 403; mr. A. A. de Pinto, Handl. Strafv., bl. 660 noot o.

Sluiten