Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

326), het zich opzettelijk en wederrechtelijk aan het voeren van het schip onttrekken door den schipper van een Nederlandsch schip na den aanvang der monstering en vóór het einde zijner verbintenis (art. 390 1°), desertie van een Nederlandsch schip voor den aanvang van de reis en gedurende de reis (art. 391 1°, en 392 1°), insubordinatie (art. 395) en heling (art. 416) en eindelijk ook bij de overtredingen van de artt. 432 en 433, bedelarij en landlooperjj, terwijl voorts bij al die misdrijven, waarbij aldus de preventieve hechtenis is toegelaten, zjj ook bij de poging tot en de medeplichtigheid aan die delicten kan worden toegepast Maatstaf' bjj den door de wet gestelden regel is dus het maximum der bij de wet bedreigde gevangenisstraf2). Wat is nu rechtens, indien de tegen het misdrijf bedreigde straf óf door den invloed eener verzwarende omstandigheid tot vier jaren stijgt óf ten gevolge eener omstandigheid, die de straf doet verminderen, beneden dat maximum daalt? Naar het mij voorkomt, zal voor de vraag, of de preventieve hechtenis volgens art. 86 mag worden toegepast, alleen mogen worden gelet op de straf, die de wet in het algemeen tegen eenig misdrijf heeft bepaald, en zullen dus verzwarende of verlichtende omstandigheden daarbij niet in aanmerking mogen komen. Ik vereenig mij te dien aanzien geheel met het betoog van mr. P. Polvliet in het Tijdschrift voor Strafrecht, VI bl. 215 vlg. 3).

*) Bij mishandeling is nu, in afwijking van vroeger, preventieve hechtenis slechts toegelaten, ingeval zij ten minste zwaar lichamelijk letsel heeft ten gevolge gehad; art. 800 lid 2 en 30! lid 2 Sw. Zie omtrent het bezwaar, uit deze beperking voortvloeiende in verband met de twijfelachtige beteekenis van het begrip „zwaar lichamelijk letsel", en de moeilijkheid om vooruit vast te stellen of zulk een letsel uit de mishandeling is ontstaan, mr. A. A. de Pinto, Het herziene W. v. Sv., I bl. 366 en mr. v. Ittersum, T. v. Str., I 192 en in W. 5413, in antwoord op een artikel van mr. Roessingh in W. 5409,

2) Ook wanneer de vervolging betreft een minderjarig persoon, die vóór het begaan van het feit den leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt. Volgens art. 86, lid 4 blijven dan de bijzondere bepalingen van art. 9, tweede lid, en van art. 3Ster van het Wetboek van Strafrecht buiten aanmerking.

3) Anders mr. Gregory in zijne conclusie, behoorende bij het arrest van 2 Mei 1887; "W. 5427 en de redactie W. v.h. R. in n°. 6157 Vgl. voorts de aantt. 2 en 3 ad art. 86 in T. v. Strafr., dl. I; aant. 8 ad art. in dl III en

Sluiten