Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

•instructie nog niet afgeloopen of de zaak niet berecht, de beklaagde onmiddellijk in vrijheid gesteld, tenzij de rechtbank, voordat de dertig dagen verloopen zijn, op de vordering van liet openbaar ministerie, het bevel bij gemotiveerde beschikking voor ten hoogste dertig dagen hebbe verlengd. Eene dergelijke verlenging zal verder telkens op gelijke wijze voor dertig dagen kannen worden verleend. Steeds echter zal die beschikking moeten worden gegeven, voordat de termijn, waarvoor de laatste verlenging is uitgesproken, verstreken is. De redactie, voorgesteld bij liet gewijzigde regeeringsontwerp, liet daaromtrent wellicht nog eenigen twijfel open, omdat er werd gesproken van „Telkens na verloop van dertig dagen''. Juist met het oog daarop werd toen door de C. v. R. de tegenwoordige redactie voorgesteld en door den minister overgenomen ').

Het nieuwe voorschrift van art. 116 gaf in den aanvan°* stof tot veel verschil van gevoelen, voornamelijk betreffende een tweetal vragen 2). De eerste vraag was, of de bepaling van art. 116 alleen van toepassing was, voordat een veroordeelend eindvonnis was gewezen of dat ook daarna, en dus ook hangende de behandeling in hooger beroep, voor het voortduren der preventieve hechtenis steeds om de dertig dagen eene nieuwe bekrachtiging noodig was. Het laatste gevoelen, verdedigd door Mr. R. Th. Bijleveld3), bracht mede dat, nadat de zaak de rechtbank verlaten had, de rechter niet was aangewezen, die de verlenging der preventieve hechtenis kon bevelen. Intusschen vond de opvatting van mr. Bijleveld terecht algemeene bestrijding, daar zjj niet voldoende rekening hield noch met de woorden noch met de strekking van het nieuwe artikel4). In de praktijk wordt dan ook, zonder dat zich daar-

') Smidt, I 384 en 385.

J) Men zie daaromtrent mr. H. Westermann, Strijdvragen naar aanleiding van art. 116 Wetb. van Strafv., Amsterdam 1895.

®) T. v. Str., I 195 -197.

♦) Mr. S. J. L. v. Aalten, T. v. Str., I 319—323, mr. P. F. A. Cremers, ibidem bi. 323; mr. A. A. de Pinto, Het herziene W. v. Sv., II bl. 287, die ten onrechte meent, dat mr. Bijleveld van hetzelfde gevoelen is. Vgl. voorts arrest van het Hof te 's Hertogenbosch van 20 Oct. 1886; W. 5352 en de conclusie van den advocaat-generaal mr. de Savornin Lohman in W. 5412.

Sluiten