Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De leiding van liet strafproces berust volgens onze wetv'in banden van het openbaar ministerie, ook al wordt het onderzoek aan den rechter opgedragen. Uit dit beginsel volgt, dat de rechter-commissaris verplicht is de getuigen te hooren, die hum door den officier van justitie worden opgegeven, art. 61, en dat hij steeds gehouden is aan dezen op zijn verzoek den stand van het onderzoek mede te deelen, opdat de officier in staat zjj die stappen te doen, welke hij wenschelijk en noodig acht, art. 60 lid 4. Het onderzoek van den rechter-commissaris is overigens geheim en kan ook door den officier alleen worden bijgewoond, als hij daartoe van den rechter-commissaris eene uitnoodiging ontvangt. Is hij tegenwoordig dan mag hij, zoo hjj vragen wenscht te doen, die aan den rechter-commissaris opgeven; deze is echter niet verplicht om die vragen te stellen.

De taak van den rechter commissaris bij de voorloopige informatiën bestaat in het hooren van getuigen, en, zoo reeds een bepaal! persoon van het misdrijf verdacht is, ook in het hooren van dezen verdachte. Zooals wij opmerkten is de R. C.i' verplicht die getuigen te hooren, welke door het openbaar ministerie worden aangegeven; eene gelijke verplichting bestaat niet ten aanzien van de getuigen door den verdachte genoemd; alleen moeten hunne namen in het proces-verbaal worden vermeld , ook al besluit de R. C. niet tot hunne dagvaarding over te gaan, art. 61 lid 3. Hij is echter bevoegd ook ambtshalve dagvaarding van getuigen te gelasten. De bevelen van dagvaarding gaan van hem uit, doch de dagvaarding zelf door de ambtenaren, aangewezen in art. 7, geschiedt op last van het openbaar ministerie.

Indien de gedagvaarde getuige niet verschijnt, zal de R. C., volgens art. 67, opnieuw zijne oproeping kunnen bevelen en daarbij zijne medebrenging kunnen gelasten. De strafbepalingen tegen den niet verschenen getuige worden thans gevonden in ait. 192 Sw., waar voor de strafbaarheid opzet wordt gevorderd, en in art. 444.

werd m. i. op volkomen juiste gronden bestreden door de redactie van het W. v. h. R. in het geciteerde n°. 5909. Vgl. echter nog het arrest van den H. R. van 20 Juli 1891; W. n°. 6080. f <>

tifa. W. et t] «v { t«~

Sluiten