Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het uitleveringstractaat, den 26 September 1898 met Engeland gesloten en krachtens besluit van 2 Januari 1899 in het Staatsblad geplaatst onder n°. 15.

De rechter-eommissaris is bevoegd , zoo hij het noodig acht, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van het openbaar ministerie of op het verzoek van den beklaagde, de getuigen ouderling of met den beklaagde te confronteeren. Hem kunnen volgens art. 101 door den officier van justitie vragen worden opgegeven, die deze verlangt dat aan den beklaagde zullen worden gedaan, en die de rechter-eommissaris, naar gelang hjj het noodig oordeelt, al of niet kan stellen. Hij kan den officier uitnoodigen bjj zjjn onderzoek tegenwoordig te zjjn, in welk geval deze dezelfde rechten heeft als hem voor zoodanig geval bij de voorloopige informatiën in art. 60 zjjn toegekend. De rechter-commissaris is verder in de wijze, waarop hij de instructie voeren en het verhoor van beklaagden en getuigen leiden wil, geheel vrij en alleen gebonden door het voorschrift van art. 103 , dat hem het stellen verbiedt van strikvragen en van de zoogenaamde suggestieve vragen, d. w. z. van die vragen, waarbij eene nog niet opgegeven omstandigheid als reeds opgegeven wordt beschouwd. Het spreekt echter van zelf, dat eene dergelijke bepaling voor de practijk slechts eene luttele beteekenis heeft, en dat hierin alles van den persoon van den rechter-commissaris afhangt '). f~~

Wanneer de rechter-commissaris dit noodig oordeelt, kan hij de eene of andere vraag, b.v. die over den psychischen toestand van den beklaagde, aan het oordeel van een of meer deskundigen onderwerpen. De bevoegdheid daartoe wordt hem gegeven bij art. 102. Voorts heeft hij in deze phase van het geding het recht tot het doen van huiszoeking en papieronderzoek volgens de daarover in de artt. 110—114 opgenomen, reeds vroeger besproken bepalingen2), terwijl hij eindelijk,

*) Over de taak en de werkzaamheid van den rechter-commissaris vgl. men het werk van H. Gross, Handbuch fiir Untersuchungsiichter. Niet zonder belang, hoewel meer voor lagere ambtenaren geschreven, is ook het door mr. W. E. T. M. van der Does de Willebois naar Gross bewerkte boek, getiteld „De nasporing van het strafbaar feit".

') Zie boven bl. 93—95.

Sluiten