Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

qualificatie te worden opgenomen '), terwijl indien de dagvaarding een niet strafbaar feit vermeldt, daarvan niet nietigheid der dagvaarding, doch ontslag van rechtsvervolging het gevolg is :). Eene alternatieve telastlegging is steeds als geoorloofd aangemerkt 3). Eindelijk mag hier worden melding gemaakt van de constante leer van den H. R., volgens welke de uitlegging der dagvaarding is overgelaten aan den rechter, die over de feiten oordeelt, en aan het onderzoek van den rechter in cassatie is onttrokken 4).

Behalve de opgave van het feit, die volgens de in de practijk bestaande gewoonte, eigenlijk niet in de dagvaarding zelf voorkomt, maar in het daarmede een geheel uitmakende vonnis van verwijzing of in het bevelschrift tot dagvaarding van den officier, waarheen dan in de dagvaarding wordt verwezen s), moet deze, volgens art. 142, eene opgave bevatten van de namen, het beroep en de woon- en verblijfplaats der getuigen en deskundigen , die van wege den vervolgenden ambtenaar zullen worden gedagvaard °). De beklaagde weet dus welke getuigen tegen hem zullen worden gehoord en kan daarnaar beoordeelen, of hij nog de dagvaarding van andere wenscht. Acht hij dit in zjjn belang, dan staan hem twee wegen open. Hukan die getuigen en deskundigen, gelijk art. 146 onderstelt, öf zelf doen dagvaarden en is dan verplicht, blijkens het tweede lid van dit artikel, van hunne namen en woonplaatsen bij exploit kennis te geven aan den vervolgenden ambtenaar ten minste tweemaal 24 uren voor de terechtzitting, of hij kan den president der rechtbank verzoeken, om de dagvaarding

') Hulshoff, aant. 18 ad art. 143.

3) Vgl. Hulshoff, aant. 22 en o. a. H. R. 29 Januari 1906; W. 8334P. v. J. n°. 534 en 4 Maart 1907; W. 8505.

3) Hulshoff, aant. 6. Vgl. 9 October 1906; W. 8434; P. v. J. n°. 584.

4) Uit de lange reeks van arresten citeer ik als van den laatsten tijd, 5 November 1906; W. 8452 en 18 Februari 1907; W. 8498; zie voorts Hulshoff, aant. 15 ad art. 346.

5) Deze usance werd niet met de wet in strijd verklaard bij arrest van den H. R. van 7 November 1887; W. 5508. Geschiedt de dagvaarding afzonderlijk, dan is eene eenvoudige verwijzing naar de vroeger beteekende beschikking ongeoorloofd; Hof Amsterdam, 4 Januari 1893; W. 6285. *

8) Niet opvolging van het voorschrift van art. 142 heeft niet nietigheid ten gevolge; H. R. 4 Januari 1904; W. 8013, P. v. J. n°. 321.

Sluiten