Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dier getuigen of deskundigen aan den officier van justitie of aan den krachtens art. 141 2° met de vervolging belasten ambtenaar op te dragen./Van deze aldus gedagvaarde getuigen is blijkens het slot van art. 154 beteekening aan den beklaagde met noodig. Overigens verdient reeds hier vermelding, dat door de bepaling van art. 155 de voorschriften van de artikelen

142 en 146 veel van hunne beteekenis hebben verloren.

Volgens art. 147 moet tusschen den dag van de beteekening der dagvaarding en dien der terechtzitting ten minste een termijn van tien dagen verloopen, tenzij de beklaagde blijkens eene in het exploit van dagvaarding op te nemen en door hem te onderteekenen verklaring in eene verkorting van dien termijn toestemt. Is dit niet geschied, dan is de op korteren termijn uitgebrachte dagvaarding nietig, welke nietigheid, evenals die wegens overtreding van de voorschriften van art. 144, volgens ait. 148 slechts door eene vrijwillige verschijning van den beklaagde kan worden gedekt ').

Laat de beklaagde, die bij een op te korten termijn uitgebrachte of in strijd met de voorschriften van art. 144 beteekende dagvaarding is gedagvaard, verstek gaan, dan zal de rechtbank verplicht zjjn het verstek te weigeren en de dagvaarding ambtshalve nietig te verklaren 2). Doet zij dat niet en spreekt zjj, door welke oorzaak ook, op de nietige dagvaarding eene veroordeeling uit, dan zal bij een eventueel verzet die dagvaarding alsnog moeten worden nietig verklaard. Het tegenovergestelde gevoelen, door mr. J. Roessingh verdedigd 3), schijnt mij volkomen onhoudbaar.

De nietigheid der dagvaarding, op grond dat zij niet voldoet

>) Het arrest van 5 Maart 1900; W. 7407; P. v. J. n°. 25 en vooral de daarbij behoorende conclusie van mr. Noyon onderstellen de bevoegdheid van den gedetineerden beklaagde, om op de dagvaarding niet te verschijnen en dus, als men hem naar de terechtzitting wil doen overbrengen,'zich daartegen te verzetten, zoodat als hij wel verschijnt, dit als vrijwillig te zijn geschied mag worden aangemerkt. Ik betwijfel, of in de practijk die vrijheid veel zal beteekenen. Vgl. nog Rbk. Amsterdam, 17 November' 1903; P. v. J. n . 339. '

') Smidt, I 469.

3) T. v. S. II 437 vlg. Zie H. R. 28 Maart 1894; W. 6482 en 26 November 1906; W. 8462; P. v. J. „\ 614. W C. ■?- f „ 3 .7

Sluiten