Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel eens bij uitzondering gebeurde'), namelijk dat wanneer alleen de beklaagde in appèl was gekomen deze, voordat de procureur-generaal zijn requisitoir nam, z{jne bezwaren zou kunnen toelichten of doen toelichten. Beide voorschriften werden door de C. v. R. bestreden en dan ook door den minister ingetrokken '). Het eenig overblijfsel van deze nieuwe artikelen is de laatste alinea van art. 240, die aan den beklaagde de bevoegdheid verleent, nadat het verslag is uitgebracht, zijne bezwaren tegen het vonnis op te geven of door zijn raadsman te doen opgeven^Daar volgens art. 239 lid 1 al de bepalingen

van de 1 SA 997 * • _ ■■ , , .

...u auw wu—mer van toepassing zijn, zal de beklaagde ook in hooger beroep gebruik kunnen maken van het bij art. 153 verleende recht, om vooraf over zijne exceptieve verdediging te doen beslissen.

De artt. 241—244 regelen een paar gevallen waaromtrent, in verband met de bevoegdheden van hof en rechtbank, eenige nadere voorziening noodig was. Art. 241 bepaalt dat, in geval in hooger beroep een getuige verdacht wordt eene valsche verklaring te hebben afgelegd en dus het hof tot de toepassing besluit van de artt. 174 en 175, de procureur-generaal de

stuk-ken zal toezenden aan den officier van justitie bij de rechtbank, die in eersten aanleg heeft gevonnist en die, ook al ware zij anders niet bevoegd, nu bevoegd wordt met het oog op het verband tusschen het te berechten en het door haar berechte delict van het misdrijf kennis te nemen 3). Eene gelijke wijziging in de algemeene regelen der bevoegdheid was niet noodig, in het geval er een ander misdrijf op de terechtzitting wordt gepleegd of indien blijkt, dat de beklaagde zich nog aan een ander feit dan waarvoor hij te recht staat heeft schuldig gemaakt4). In dat geval zal, met toepassing van art. 196 of 197, volgens de bepaling van art. 244 lid 1, de procureur-generaal het opgemaakte proces-verbaal toezenden aan den ambtenaar van het O. M., volgens de algemeene regelen bevoegd om het gepleegde misdrijf te vervolgen. In beide ge-

') Men vgl. daaromtrent Léon, aant. 7 ad art. 247.

J) Smidt, II 39 en 40.

3) Smidt, t. a. p. bl. 44.

*) Smidt, t. a. p. bl. 46.

Sluiten