Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben gezeten. Deze bepaling werd aldus geformuleerd op voorstel van den heer de Savornin Lohman. Men vgl. in verband daarmee art. 222 over het uitspreken van de vonnissen der rechtbank, waarover werd gehandeld hierboven op bl. 195.

In overeenstemming met art. 251 oud, stelt art. 251 enkele bijzondere bepalingen vast omtrent de procedure in hooger beroep van die zaken, die door de in art. 141 n°. 2 bedoelde ambtenaren zjjn aanhangig gemaakt. Allereerst wordt de termijn voor de instelling van het appel van veertien dagen na de uitspraak van liet vonnis tot een en twintig dagen na de beteekening ervan verlengd. Vervolgens komen hierbij niette pas indiening van memoriën, overzending van de stukken naar de griffie van het hof of aanzegging van het ingestelde beroep, terwijl ook de gewone bepalingen omtrent de dagvaarding niet van toepassing zjjn. In plaats van dit alles zullen partijen zelf aan het hof hunne stukken onder inventaris moeten overleggen en zal de partij, die in hooger beroep is gekomen, op straffe van verval, binnen een en twintig dagen na hare verklaring, hare wederpartij ') moeten doen dagvaarden om te verschijnen op de eerste terechtzitting van het hof, welke na acht vrije dagen zal moeten worden gehouden, bij welke dagvaarding tevens dag en uur zullen worden aangeduid 2). Ter terechtzitting zullen, evenals dit bij art. 201 is bepaald, de functiën,

•) Wie de wederpartij is, werd verschillend beslist. Vgl. Hulshoff, aant. 5 ad art. 251 en Nypels, Het Rijksfiscaal Strafprocesrecht, n°. 175. Inde latere jurisprudentie wordt aangenomen, dat de in hooger beroep te dagvaarden wederpartij niet is de procureur-generaal, doch de officier van justitie, en dat voor het door het O. M. ingestelde hooger beroep de dagvaarding ook van den officier van justitie moet uitgaan. Men zie H R 24 Mei 1904; W. 8070; P. v. J. n». 370; 25 Maart 1907; W. 8516- p! v. J. n". 633 en 10 December 1906; W. 8474.

2) Over deze voorschriften vgl. men de Pinto, Handl. Strafv., bl. 459 en Léon, aant. 5 ad art. 251. Door de wijziging van de woorden in n". 3, „op straffe van verstek" in „op straffe van verval", schijnt m. i. het gevoelen te worden bevestigd, dat niet tijdige dagvaarding het geheele appèl doet vervallen. Vgl. mr. A. A. de Pinto, t. a. p. bl. 459 noot « en Léon, aantt. 4 en 5 ad art. 251. Eene andere beslissing werd gegeven bij arrest van den H. R. van 27 Mei 1889; W. 5725; P. v. J. n°. 77, vernietigende een arrest van het Hof te 's Gravenhage van 21 Februari 1889; W. 5702 • P. v. J. n». 31. Tegen het arrest van den H. R. Nypels, t. a. p. bl.160 - I62!

Sluiten