Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gulden ). De instelling van het appèl kan geschieden door den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kantongerecht en door den veroordeelde*). Art. 255 oud verzekerde datzelfde recht ook aan den officier van justitie, doch de regeering meende dat het voldoende was, dat de officier kon appellee.en door tusschenkomst van den ambtenaar van het O. M bij het kantongerecht en schrapte daarom de bedoelde bepaling

Volgens de artikelen 256 en 257 geschiedt de"' behandeld van het appel bij de rechtbank, evenals de instelling ervan" op volkomen gelijke wijze als dit met de vonnissen van dé rechtbank het geval is bij het gerechtshof. Alleen zijn ook in dit geval de uitzonderende bepalingen van art. 253 van toepassing, terwijl art. 256 enkele artikelen vermeldt, die uit den aard der zaak hier hunne toepassing missen. Eene nadere behandeling van deze uitzonderingen schijnt mij hier overbodig.

in elijk handhaaft art. 258 het voorschrift van art 256 lid 1 oud, dat wanneer de rechtbank bevindt, dat het feit reeds in eersten aanleg ter harer kennisneming behoort, zij zelve de zaak zal afdoen 3). Haar vonnis is in dat geval vatbaar voor hooger beroep. De vraag, vroeger omtrent deze bepaling oprezen, in hoeverre dit ook gold voor vonnissen van de rechtbank, anders niet aan hooger beroep onderworpen4), heeft t lans minder belang, omdat volgens het gewijzigde art. 56 R O alle vonnissen van de rechtbank, omtrent misdrijven gewezen' appellabel zijn; zij kan echter te pas komen voor het geval

') Zie noot 1 op bl. 18.

-') In afwijking van art 228 spreekt art. 255 niet van beklaagde maar van veroordeelde Dientengevolge werd beslist, dat de door den kantonrechter van rechtsvervolgmg ontslagene niet het recht van hooger beroep heeft. H. R. 19 November 1894; W. 6588; P. v. J n» 98

£7 af"rZ°n1d,erlineJJen m' L V0lk0men 0Djaiste 'nterPretatie van W 6804 P T ;iV elburg blJ haar vonnis varl 29 Januari 1895; r , V' , , n; 26' d00r aan dit artikel de bevoegdheid te willen ontleenen een beklaagde, die door den kantonrechter in eersten aanleg van rechtsvervolging was ontslagen op eene dagvaarding, die eene jachtoverheding te laste legde, in hooger beroep wegens diefstal te veroordeelen, als hoedanig zij het te laste gelegde feit beschouwde, doch onder erkenning da 'n de dagvaarding verschillende elementen voor diefstal ontbraken.

) V8'- de Plnt°> Handl. Strafv., bl. 467 en noot « aldaar.

Sluiten