Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de kort daarop gevolgde gebeurtenissen maakten den arbeid der commissie — zoo hij al tot stand kwam — overbodig.

De strijd met België en de langdurige onderhandelingen met de buitenlandsche mogendheden, die de jaren 1831 tot 1839 vullen, trokken wel niet de aandacht van eene Grondwetsherziening af 1), doch zij verschoven de uitvoering. Niet dan in het uiterste oogenblik, toeli de afscheiding van België haar volledig beslag had gekregen, en de daardoor veranderde omstandigheden eene herziening noodzakelijk maakten, gaf de Regeering hare toezegging.

Met levendige belangstelling werden de daarop betrekkelijke wetsontwerpen tegemoet gezien. Groote teleurstelling moest de natie echter ondervinden, toen zij ontwaarde, dat de regeeringsontwerpen van 1840 niet anders inhielden, dan zoodanige wijzigingen als volstrekt noodzakelijk waren, tengevolge van de afscheiding van België 2). Noch van de ministerieele verantwoordelijkheid of van de onschendbaarheid des Konings, noch van het recht van amendement, noch van het recht van ontbinding der Kamers of van eene andere regeling van iiet kiesrecht was sprake.

Nauw had de regeering hare ontwerpen aangeboden of vijf leden der Tweede Kamer: L. C. Lucas, W. A. baron Schimmelpenninck van der Oye, J. Oorver Hooft, E. W. van Dam van Isselt en Jhr. W. L. F. C. ridder van Rappard, deden het voorstel, om, „aangezien het bleek, dat de regeering het initiatief niet verder wilde nemen, dan door het voordragen der vijf ontwerpen, en zij als het ware aan de Kamer overliet, om harerzijds de verdere voordrachten te doen, eene commissie van tien leden te benoemen, ten einde eene lijst op te maken van de hoofdpunten, welke bij de herziening deiGrondwet in aanmerking behoorden te komen, welke lijst door de afdeelingen onderzocht en aangevuld zoude worden, terwijl aan eene andere commissie uit vijf leden zou worden opgedragen, „het

1) Zie Aanteekening N°. I.

2) Bijv. weglating van de Belgische provinciën; dat de huldiging voortaan te Amsterdam zou plaats liebben, dat liet ledental van den Raad van State, alsmede van de Eerste en Tweede Kamer, in verhouding der nu kleiner geworden bevolking, verminderd werd; dat de bepaling volgens welke de zittingen der St.-Gen. beurtelings in de eene of andere stad in de Z. of N. Nederlanden zouden worden gehouden, vervallen was, en wat dies meer zij.

Sluiten