Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijkheid niet werd ingevoerd. Nadat het voorstel daartoe was ingediend, werd (18 Mei 1840) de begrooting aangenomen.

Den 2 Juni 1840 begonnen de beraadslagingen over de ontwerpen tot Grondwetsherziening, thans tot dertien vermeerderd. Bittere woorden werden over het regeeringsbeleid gewisseld. De voorgestelde regeling der ministerieele verantwoordelijkheid was nog maar zeer gebrekkig: de Hoofden der Ministerieele Departementen (zouden) verantwoordelijk (zijn) voor alle daden door hen als zoodanig verricht, of tot welker daarstelling of uitvoering zij (zouden) hebben medegewerkt, waardoor de Grondwet of de wetten mochten geschonden of niet opgevolgd zijn (art. 75).

Men stelde zich ten slotte evenwel met een half ei tevreden. Met uitzondering van het voorstel betreffende de nationale militie werden de voorgedragen wijzigingen aangenomen. Ook de dubbele Kamer keurde, niettegenstaande de principieele bestrijding van Thorbecke, die aantoonde, dat alleen een algemeene herziening een regeling van eenigszins blij venden aard kon tot stand brengen, op één punt na — de invoering van periodieke aftreding van de leden der Stedelijke Besturen — de veranderingen goed, waarna zij door de Eerste Kamer ten tweeden male werden aangenomen.

Den 7 October van hetzelfde jaar teekende Koning Willem I een acte van afstand en gaf de kroon aan zijn opvolger over. M'en kan zeggen, dat dit eene noodzakelijkheid was geworden. De Koning was persoonlijk getroffen door de gebeurtenissen van 1839 en 1840.

Het optreden van Willem II als Koning heeft aanvankelijk de partijen, die volledige herziening der Grondwet wenschten, met hoop vervuld. Bij de meerderheid der natie openbaarde zich meer en meer eene liberale richting in het streven om aan de leden van den Staat een grooteren invloed op het landsbestuur te verzekeren, dan tot dusver het geval was geweest. Tijdschriftartikelen, brochures en wetenschappelijke werken wedijverden om het hardst, om bij de Regeering op hervorming aan te dringen. Deze gaf echter te verstaan, dat verbetering van den ünancieelen toestand van het rijk in de eerste plaats de aandacht moest vragen.

Toen nu in 1844 de herziening der financiën tot stand was gekomen, kwam de Tweede Kamer op haren eisch terug. Zij formuleerde in Oct. 1844 haren wensch duidelijk in haar adres van antwoord op de troonrede. Maar het daarin uitgedrukt gevoelen

Sluiten