Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schapsrecht", zoo verklaarden zij '), „schijnt de meest juiste, algemeene benaming voor de politische rechten, die men als burger van de plaatselijke gemeente, van de provincie of' van den Staat heeft. De laatste, of de staatsburgerlijke rechten, eigenlijk zoogenaamd, zijn dus in burgerschapsrechten, gelijk in droits civiques, als deel vervat."

Mr. J. T. Buys 2) zegt hieromtrent: „Burgerschapsrecht, een woord zonder eenige duidelijke bepaling in de Grondwet opgenomen, kan ten slotte geen anderen zin hebben, dan daaraan etymologisch toekomt, en die zin is eenvoudig: het samenstel van al de rechten, welke aan het burgerschap, dat wil zeggen aan het volle lidmaatschap van den Staat verbonden worden."

In dien zin ook vatte de ontwerper van de wet van 28 Juli 1850 (Staatsblad n°. 44) de uitdrukking op, gebezigd in artikel 1 dier wet: „Nederlanders ten aanzien van het genot van burgerschapsregten zijn: enz." Niettegenstaande deze bedoeling bij de behandeling der wet uitdrukkelijk is gebleken, is in de practijk een andere verklaring aan de wet gegeven. Ook de Hooge Raad heeft bij zijn arresten een beperkte interpretatie gehuldigd. De oorzaak hiervan is gelegen in het feit, dat aan het woord „burgerschapsrecht" door velen een geheel andere, engere beteekenis werd gehecht, dan hierboven is weergegeven, en wel uitsluitend het recht om te kiezen en gekozen te worden. Dit verklaart den strijd.

Gelukkig daarom, dat bij de Grondwetsherziening van 1887 het verwarring wekkende woord is verdwenen: Artikel 5 der Grondwet van 1848 is vervallen en de overige artikelen waarin het voorkwam zijn gewijzigd s).

De wet van 1892 heeft thans ook een einde gemaakt aan het tweeledige Nederlanderschap. Hare bepalingen zijn algemeen; de artikelen 5 tot en met 12, uitmakende den tweeden titel van het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek, zijn, evenals bovengenoemde wet van 1850, ingetrokken.

In hoofdtrekken komt de door de wet „op het Nederlanderschap en het ingezetenschap" getroffen regeling van het Nederlanderschap op het volgende neer.

1) Haiidt'lingeu over de voorstellen tot Grondwetsherziening in 1845 (ed. Belinfante) bladz. 174.

2) De Grondwet I. bladz. 34.

3) Art. 169 is de eenige uitzondering.

Sluiten