Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„In de hier gebezigde algemeene uitdrukking," zegt de desbetreffende Memorie van Toelichting, „zijn begrepen, zoowel zij die krachtens deze wet nimmer Nederlander waren, als die den staat van Nederlander hebben verloren en niet terugbekomen. Met het oog op verschillende bepalingen in onze wetten, is het artikel noodig, om uit te drukken, dat de niet-Nederlander altijd in juridieken zin een vreemdeling is. Daartoe is het noodig, dat men tot eene andere nationaliteit behoort. Men is niet tegelijk Nederlander en vreemdeling; men kan wel zijn vreemdeling en geene andere nationaliteit bezitten; ook kan men zijn Nederlander en daarnevens burger van een ander Kijk zijn. Of iemand Nederlander is, moet, onafhankelijk van elke vreemde wet, naar onze eigene wetgeving zelfstandig worden beoordeeld.

Ofschoon zij zich binnen onze grenzen (mits aan bepaalde voorwaarden voldoende, waarover later) in volkomen vrijheid kunnen bewegen en bescherming genieten voor hunne persoon en goederen, ofschoon zij even vrij als de burgers hun gevoelen kunnen openbaren en geen censuur hun dit recht kan ontnemen, ofschoon zij ook aan geen andere strafwetten of politieverordeningen als deze zijn onderworpen, zoo is het er toch verre van af, dat den vreemdelingen gelijke rechten zouden zijn toegekend als aan de Nederlanders, waar tegenover echter staat, dat zij aan verschillende op dezen rustende verplichtingen niet zijn onderworpen.

Dat de positie van den vreemdeling verandering ondergaat, zoodra hij ingezetene van het Rijk is geworden, hebben wij reeds vermeld. Later zullen wij enkele rechten en verplichtingen aan dat ingezetenschap verbonden leeren kennen.

In de eerste plaats mist de vreemdeling natuurlijk alle staatkundige rechten in engeren zin, (actief en passief kiesrecht) doch bovendien maken nog verschillende wettelijke bepalingen een onderscheid tusschen Nederlanders en vreemdelingen.

Wel zegt het eerste lid van artikel 4 onzer Grondwet: „Allendie zich op het grondgebied van het Rijk bevinden, hebben gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen, doch uit onze wetgeving blijkt, dat deze bepaling in hare algemeenheid niet zoo streng wordt opgevat. Bij de grondwetsherziening werd dan ook daarom op haar behoud aangedrongen, daar men er eene uiting in zag van de „aloude Nederlandsche gastvrijheid."

Wat het burgerlijk recht betreft geldt de regel der wet „houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk" art. 9:

Sluiten