Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrijheid van handelen, terwijl het Wetboek van Strafrecht niet straf bedreigt, wie aanslagen tegen de veiligheid van den Staat ondernemen ')• Een andere bepaling, welke in nauw verband staat met hetgeen wij hier besproken hebben, en ook tot waarborg strekt, dat geen willekeur voorkome bij vervolging bij strafbare feiten, en dat alleen in naam der beleedigde maatschappij recht worde gesproken is, dat in strafzaken het vonnis van veroordeeling behalve de gronden, waarop het rust, ook nog de wettelijke voorschriften welke van toepassing zijn moet aanwijzen. Voorts worden niet alleen de vonnissen in het openbaar uitgesproken, maar moet ook de terechtzitting in het openbaar gehouden worden, voorzoover de wet geen uitzondering toelaat. Slechts in het belang van openbare orde en zedelijkheid mag door den rechter van dezen regel afgeweken worden 2).

Nog twee voorschriften geeft de Grondwet, die met de bescherming van den persoon samenhangen. Het eerste is, dat niemand tegen zijnen wil voor eenen anderen rechter kan gebracht worden, dan voor wien hij, volgens de wet, moet terecht staan 3); het andere geldt de eerbiediging van de woning 4).

Tengevolge van eerstgenoemde bepaling is, gelijk wij boven reeds zagen, uitlevering van Nederlanders uitgesloten. Zij hangt nauw samen met die van artikel 155: „De regterlijke magt wordt alleen uitgeoefend door regters, welke de wet aanwijst."

De bedoeling is ongetwijfeld de oprichting van buitengewone rechtbanken met het oog op bijzondere gebeurtenissen tegen te gaan,

1) Zie de eerste titel van het tweede boek van het W. v. S.Tt.

2) Art. 161. Alle vonnissen moeten de gronden waarop zij rusten, inhouden en in strafzaken de wettelijke voorschriften, waarop de veroordeeling rust, aanwijzen.

De uitspraak geschiedt met open deuren.

Behoudens de uitzonderingen door de wet bepaald zijn de teregtzittingen openbaar.

De regter kan in het belang der openbare orde en zedelijkheid van dezen regel afwijken.

3) Art. 156, le lid. Niemand kan tegen zijnen wil worden afgetrokken van den regter, dien de wet hem toekent.

4) Art. 158. Het binnentreden in eene woning tegen den wil van den bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij de wet bepaald, krachtens eenen bijzonderen of algemeenen last van eene magt door de wet aangewezen.

De wet regelt de vormen, waaraan de uitoefening van deze bevoegdheid gebonden is.

Sluiten