Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ongrondwettig, komt het althans in de practijk meermalen voor, dat de petitie persoonlijk, zij het dan ook door meerderen, wordt aangeboden öf aan de ministers öf aan het Hoofd van den Staat, waarbij dan tevens mondeling de inhoud der petitie wordt toegelicht '). Alleen aan de algemeene, provinciale en gemeentelijke vertegenwoordiging kan zij niet anders dan schriftelijk geschieden, omdat daarbij niemand wordt toegelaten, die daarop geen recht heeft.

De bedoeling van het verbod om eene petitie uit naam van meerderen te onderteekenen lag voor de hand: men wilde niet, dat de verzoeker door uit naam van vele anderen te spreken, zonder dat bleek, dat dezen inderdaad met zijn gevoelen instemden, aan het adres kunstmatig eene bijzonder groote beteekenis zoude geven 2). Het bezwaar, in de practijk daaraan verbonden, dat ook bij bestaande overeenstemming het verbod moest gelden, is thans op de boven vermelde wijze ondervangen.

Volgens de tegenwoordige redactie der Grondwet komt voorts nog het petitierecht toe, doch alleen over onderwerpen tot hunnen bepaalden werkkring behoorende, aan alle wettig bestaande lichamen, dat wil zeggen aan alle lichamen wier bestaan niet in strijd is met de wet 8). Aan ambtenaren kan, naar het ons voorkomt, de vrije uitoefening van het recht van petitie niet worden ontzegd. Dienaangaande geldt dezelfde reden als bij de vrijheid van drukpers is aangewezen.

f. Het recht van vereeniging en vergadering 4) is de bevoegdheid, om zich onderling te vereenigen, hetzij tot eene blijvende samenwerking (vereeniging), hetzij om samen te komen voor gedachtenwisseling of handeling (vergadering).

Bekend is de invloed, welken de zoogenaamde leesgezelschappen — politieke vereenigingen of clubs — op de omwenteling van 1795

1) Dit geschiedt echter na ontvangen toestemming van de betrokken autoriteit , een recht hierop kan men niet doen gelden.

2) Mr. J. T. Buys, De Grondwet, III. bladz. 22.

3) Over de beteekenis van de uitdrukking „wettig bestaande lichamen" zie Mr. J. T. Buys, t. a. p. bladz. 23 v.

4) Art. 9. Het regt der ingezetenen tot vereeniging en vergadering

wordt erkend.

De wet regelt en bepaalt de uitoefening van dat regt in het belang dei-

openbare orde.

Sluiten