Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitgeoefend door de ministers, in raad vereenigd, en onder hunne verantwoordelijkheid. Aanvaarding der regeering en eedsaflegging vallen daar samen. Bij ons daarentegen verhindert niets (al is het de bedoeling der Grondwet, dat dit zoo min mogelijk geschiedde: „De Koning wordt zoo dra mogelijk beëedigd"), dat de vorst na de aanvaarding der regeering en vóór de beëediging daden der koninklijke waardigheid pleegt.

Op den bovengenoemden regel maakt slechts uitzondering het boven besproken geval, dat bij het overlijden des Konings geen opvolger aanwezig is. Is er echter een bevoegde opvolger, dan treedt hij als gezegd rechtens in de attributen van het koninklijk gezag. Het is evenwel niet voldoende, dat hij de regeering aanvaard heeft, hij moet bevestigd worden in zijn gezag, en dat geschiedt door de huldiging.

De huldiging is de plechtigheid, waarbij eensdeels de Koning zich bij eede nauw aan het Nederlandsche volk verbindt, en de verplichting op zich neemt, om zoowel de onafhankelijkheid van het land te bewaren, als de vrijheid en de rechten der burgers te eerbiedigen en de welvaart te bevorderen, „zooals een goed Koning schuldig is te doen" '), anderdeels het Nederlandsche volk, bij monde van de Staten-Generaal, hem als Koning ontvangt en erkent, en zich verbindt, zijne onschendbaarheid en rechten te handhaven 2).

1) Art. 52. In deze vergadering wordt door den Koning de volgende eed of belofte op de Grondwet afgelegd:

„Ik zweer (beloof) aan het Nederlandsche volk dat ik de Grondwet „steeds zal onderhouden en handhaven.

„Ik zweer (beloof) dat ik de onafhankelijkheid en het grondgebied des „Rijks met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren, dat ik de alge„meene en bijzondere vrijheid en de regten van alle mijne onderdanen zal „beschermen, en tot instandhouding en bevordering van de algemeene en „bijzondere welvaart alle middelen zal aanwenden, welke de wetten te „mijner beschikking stellen, zooals een goed Koning schuldig is te doen.

„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!" („Dat beloof ik!")

2) Art. 53. Na het afleggen van dezen eed of belofte wordt de Koning in dezelfde vergadering gehuldigd door de Staten-Generaal, wier voorzitter de volgende plegtige verklaring uitspreekt , die vervolgens door hem en elk der leden, hoofd voor hoofd, beëedigd en bevestigd wordt:

„Wij ontvangen en huldigen, in naam van het Nederlandsche volk en „krachtens de Grondwet, u als Koning; wij zweren (beloven) dat wij

Sluiten