Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Overigens is de ministeriëele verantwoordelijkheid een waarborg, dat de Koning geen misbruik van zijn gezag zal maken.

's Konings opperbestuur over de geldmiddelen »)• Terwijl art. 174 bepaalt, dat geene belastingen geheven kunnen worden, dan krachtens eene wet, en art. 176, dat de Vertegenwoordiging jaarlijks de schuld in overweging neemt, terwijl art. 123 gebiedt, dat de begrooting van alle uitgaven en ontvangsten van den Staat door de wet worde vastgesteld, en art. 126, dat telken jare rekening en verantwoording moet geschieden van het geldelijk beheer; terwijl eindelijk eene onafhankelijke Rekenkamer controle uitoefent over dat beheer, — wat is dan de bedoeling van art. 63? Zij is eigenlijk niet anders, dan uitvoering te geven aan de wettelijke regeling van 'slands gelden, voornamelijk met betrekking tot de inning der belastingen en andere inkomsten. Wederkeerig wordt door den Koning deze zorg opgedragen aan den minister van financiën, op wiens naam dan ook de vervolgingen tegen ontduiking der belastingen worden ingesteld. Voorts is de Koning bevoegd, de bezoldiging van de door hem aangestelde ambtenaren, met uitzondering van de leden der rechterlijke macht en der Rekenkamer (en sedert 1887 ook van den Raad van State, doch aan dit voorschrift is nog geen uitvoering gegeven) wier tractement bij de wet wordt bepaald, vast te stellen, en de kosten voor de verschillende takken van administratie en bestuur zoodanig te bepalen, als hij in het algemeen belang noodig acht. Daar hij echter verplicht is de bezoldigingen op de staatsbegrooting te brengen , en deze aan de goedkeuring der Staten-Generaal te onderwerpen, hebben deze het recht te beoordeelen of die gelden moeten worden toegestaan of geweigerd. De Tweede Kamer kan ook, gebruik makende van haar recht van amendement, voorgestelde posten verminderen of verhoogen. Zij kan echter niet zelve de jaarwedden vaststellen. De door de Staten-Generaal toegestane sommen vormen maxima, waarover de Regeering vrijelijk kan beschikken, zoover zij daarin niet door de wet wordt beperkt. Het

1) Att 63, 1°, 2°, 3® en 4° lid. De Koning heeft het opperbestuur van de algemeene geldmiddelen. Hij regelt de bezoldiging van collegien en ambtenaren, die uit 'sRijks kas worden betaald.

De wet regelt de bezoldiging voor de ambtenaren van den Raad van State van de Algemeene Rekenkamer en van de regterlijke Magt.

De Koning brengt de bezoldigingen op de begrooting der R ijksuitgaven.

Sluiten