Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zin beantwoord. Sommigen meenen, dat de wet op de middelen elk jaar opnieuw aan de Regeering de bevoegdheid moet verleenen, om de belastingen te heffen, en dat de heffing, zonder die jaarlijksche machtiging, onwettig zou zijn. Anderen daarentegen zijn van oordeel, dat de afzonderlijke wetten doorloopend aan de Regeering de bevoegdheid geven tot heffing en dat, indien de wet op de middelen niet tot stand kwam, of indien de eene of andere belasting daaruit geschiapt werd, het gevolg zou zijn, dat de Regeering niet over het geïnde bedrag zou mogen beschikken. Eindelp wordt de stelling verdedigd, dat de Regeering in het aangeduide geval bevoegd blijft, zoowel te innen als tot betaling aan te wenden.

De vraag komt ons voor weinig practische beteekenis te hebben. Sedeit echter art. 124 der Grondwet van 1840, waarbij de eisch werd gesteld, dat de wetgever bij de vaststelling der wet op de middelen zou beslissen of de belastingen gedurende het tijdperk der begrooting gehandhaafd zouden worden, in 1848 is vervallen, moeten naar onze meening de belastingwetten als gewone wetten beschouwd worden, die slechts door een latere wet hare kracht geheel of ten deele kunnen verliezen. Vooral de redactie der belastingwetten van den laatsten tijd laat geen twijfel over, of de wetgever heeft deze opvatting gedeeld. De Regeering is dus niet alleen bevoegd, maar ook verplicht de niet genoemde belasting in te vorderen. Wordt deze belasting dus geïnd, zij zal echter niet op de rekening gebracht kunnen worden. Art. 38 der wet, houdende instructie voor de algemeene rekenkamer, bepaalt uitdrukkelijk, dat de posten van de rekening, wat derzelver volgorde en omschrijving betreft, in alle opzichten moeten beantwoorden aan de indeeling der begrooting van ontvangsten en aan de afdeelingen en artikelen der begrooting van uitgaven.

In de practijk zal een dergelijk geval als hier besproken echter wel nooit voorkomen.

Geschiedde de weglating bij vergissing, zij zou hersteld worden en wilde men inderdaad een belasting afschaffen, men zou niet nalaten dit door een uitdrukkelijke wettelijke bepaling te verklaren. De beteekenis van art. 123 moet dan ook gezocht worden in de zorg, dat tegenover de begrooting der uitgaven inkomsten worden aangewezen, waarvan het bedrag, naar de wetgever vertrouwt, ongeveer met dat der uitgaven overeen zal komen, en in de bepaling van het veranderlijke bedrag der opcenten, welke van yerschillende belastingen worden geheven,

Sluiten