Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verder wil de Staatscommissie niet gaan, de bevoegdheid van den administratieven rechter verder uit te breiden en den weg tot hem open te stellen niet enkel waar een recht, maar ook waar slechts een niet door de wet gewaarborgd belang van een bijzonder persoon is gekrenkt, acht zij niet wenschelijk. Wel behoort overigens naar hare meening de administratieve rechter bevoegd te zijn zoowel tot onderzoek van de feiten als van het rechtspunt. „ Een rechter, die de feiten zou hebben te nemen, zooals zij hem door eene deivoor hem verschijnende partijen, al is die partij dan ook de Uitvoerende Macht, worden voorgesteld, zou dien naam ons inziens niet verdienen."

Om aan te wijzen welke geschillen als rechtsgeschillen vatbaar zijn om bij den administratieven rechter te worden aangebracht, had de commissie de keus tusschen het geven eener algemeene formule of eene opsomming. Zij koos het laatste voor zoover betreft de rechtsgeschillen, welke ter zake van de uitvoering van wetten of van ter uitvoering van wetten gegeven algemeene voorschriften kunnen rijzen '). Daar het echter ondoenlijk is door opsomming aan te wijzen de twistgedingen, die kunnen ontstaan bij de toepassing of door niet-uitvoering van de tallooze, onophoudelijk veranderende provinciale-, gemeente- en waterschaps-reglementen en verordeningen is te dien opzichte eene algemeene formule onvermijdelijk noodig.

Door deze afbakening van de bevoegdheid van den administratieven rechter zijn echter geschillen van bevoegdheid niet uitgesloten. Dergelijke conflicten kunnen voorkomen zoowel met de administratie als met den burgerlijken rechter.

Met de reeds besproken bepaling van art. 156 der Grondwet behoefde de commissie zich niet bezig te houden. De wettelijke regeling der geschillen van bevoegdheid tusschen de administratie en den gewonen rechter (de regterlijke Magt) heeft geene betrekking op de administratieve rechtspraak. Wel werd echter bij de Grondwetsherziening nadrukkelijk door de Regeering erkend, dat de wetgever

1) In artikel 14 van haar ontwerp tot uitvoering van art. 154 der Grondwet heeft de commissie echter bepaald, dat, al is het hof naar de wettelijke opsomming bevoegd tot kennisneming van eenig twistgeding, dat college toch in elk bijzonder geval zal hebben te onderzoeken, of de klacht werkelijk betrekking heeft op eene krenking van het recht van den klager door eene handeling of een verzuim van eenig openbaar bestuur of ambtenaar. Zie Bijlage II Mem. v. Toel., bladz. 32 v. h. Verslag.

Sluiten