Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot regeling van de samenstelling der landmacht (Zitting 1899— 1900 , 94, 1900—1901, 20) en

tot nadere wijziging en aanvulling van de wet betrekkelijk de Nationale Militie en van daarmede in verband staande wetten (Zitting 1899—1900, 95, 1900—1901, 21).

Bij Koninklijke boodschap van den 3<ie» Mei 1900 werden deze aangevuld met een ontwerp van wet tot regeling van de landweer en van de opheffing van de schutterijen (Zitting 1899—1900, 180, 1900—1901, 23), een ontwerp tot regeling van den landstorm eveneens in het uitzicht gesteld, heeft de Regeering niet meer ingediend.

Door aanbieding van het eerstgenoemde ontwerp sprak de Regeering zich uit dat naar hare meening de samenstelling der landmacht op wettelijke grondslagen moet berusten. Bij de openbare behandeling in de Tweede Kamer zijn, na de over de drie ontwerpen gelijktijdig gehouden algemeene beraadslagingen, eerst de Hoofdstukken I (-Van de samenstelling der landmacht in het algemeen": leger, landweer en landstorm en in tijden van oorlog eventueele vrijivilligerkorpsen) en II („Van de samenstelling van het leger in het algemeen") van het eerste ontwerp in stemming gekomen en aangenomen, met de bedoeling om na aanneming van de beide andere ontwerpen de verdere behandeling hiervan voort te zetten. Na het optreden van generaal Kool ter vervanging van generaal Eland ') als Minister van Oorlog, is het ontwerp echter door de Regeering ingetrokken, zoodat alleen de beide andere als wetten in het Staatsblad zijn verschenen (24 Juni 1901, nos. 159 en 160).

De inwerkingtreding van beide is evenwel afhankelijk gesteld van een nader Koninklijk besluit 2).

1) Aanneming van het amendement—van Gilsk c. s. om den verkorten diensttijd van 8'/j maand voor de onbereden korpsen in de wet vast te leggen, was de oorzaak van het aftreden van dezen minister.

2) Bij K. B. van 16 November 1901 (Stbl. n°. 222) is het tijdstip van in werking treden der wet (wijz. Militie) van 24 Juni 1901 (Stbl. n°. 159) bepaald op 1 Januari 1902. Het contingent voor het jaar 1902 zal echter nog volgens de oude wet worden bepaald, daar ook de inschrijvingen nog volgens de oude wet hebben plaats gehad.

Bij missive van 2 Nov. 1901 heeft de Minister v. Binn. Zaken aan de Commissarissen der Koningin medegedeeld, dat het niet in dc bedoeling van den Minister van Oorlog en hemzelve ligt aan de Koningin een voorstel te doen om het tijdstip van in werking treden der Landweerwet. op 1 Januari of op een lateren datum van het jaar 1902 te bepalen.

Sluiten