Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van zaken te geraken", is dus gedurende een vijftigtal jaren de wet in hoofdzaak in zijn grondslagen ongewijzigd blyven bestaan.

Tweeërlei doel stond den wetgever van 1854 voor oogen: 1°. de verzorging der armen over te laten aan de kerkelijke en bijzondere liefdadigheid; 2°. de armenzorg van overheidswege, welke dus een zuiver aanvullend karakter zou dragen, te beperken tot hetgeen noodig is in verband met politiezorg.

Vrijwel algemeen is men thans tot de overtuiging gekomen, in de eerste plaats dat de wet niet aan haar doel heeft beantwoord, in de tweede plaats dat het vraagstuk der armenverzorging voor de gemeenschap van te veel belang is dan dat de Staat zich tot politiezorg zou kunnen beperken ')• Afgezien toch van het feit, dat het hier geschetste tweeledig doel niet is bereikt en al ware dit wél het geval geweest, zoo zou er toch alle reden bestaan de bestaande regeling te herzien. De tegenwoordige armenwet geeft nagenoeg in het geheel geene organisatie, veel minder eenige centralisatie van het armwezen. Wij laten hier een kort overzicht daarvan volgen.

De wet onderscheidt vier soorten van instellingen van weldadigheid, namelijk: a. staats-, provinciale- en gemeente-instellingen, b. instellingen eener kerkelijke gemeente, c. instellingen, door bijzondere personen of door bijzondere, niet-kerkelyke veieenigingen geregeld en bestuurd, d. instellingen van gemengden aard, in welker regeling of bestuur door de burgerlijke overheid en vanwege eene

1) Nog altijd verdienen de woorden behartiging, bij de beraadslaging over de wet, in 1854, in de Tweede Kamer door den heer Th orbecke gesproken: „In de hedendaagsche maatschappij, waar bij de nieuwe vormen, snelle afwisseling, plotselijke sprongen en gestadige proef nemmgen der nijverheid de betrekking tusschen kapitaal en arbeid grootelijks is veranderd, het kapitaal heerscht, ontelbare kleine bedrijven zich in groote ondernemingen oplossen en het evenwicht tusschen de vraag en het aanbod van handenarbeid is verbroken, doet zich steeds een overvloed van werkzoekende arbeiders voor, en is hun lot gedurig in hooge mate bekommerend. De toestand ook van hen, die voor het oogenbl ik bezigheid hebben, grenst steeds aan armoede om bij de minste crisis in volslagen ellende over te gaan. Verarming alzoo of dreigende verarming eener gansche klasse; eene in de maatschappelijke huishouding diep ingrijpende kwaal, waarvan de verkeerde behandeling door den Staat, voor de zedelijkheid, voor de zelfstandigheid en het gevoel van menschelijke waarde van den talrijksten stand zijner burgers de treurigste gevolgen heeft; ziedaar het pauperisme van onzen tijd."

Sluiten