Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kerkelijke gemeente, of door bijzondere personen of bijzondere, niet-kerkelijke vereenigingen gezamenlijk wordt voorzien (art. 2.). De gemeentebesturen zijn verplicht elke instelling van weldadigheid in eene dezer categorieën op te nemen. Geschillen over de vraag, of eene instelling al dan niet eene instelling van weldadigheid is en tot welke soort zij behoort, worden, als zij niet door de administratieve macht in der minne worden afgedaan, door de rechterlijke macht beslist. Alle onder letter a en d vermelde instellingen zijn. zoover zij niet door provinciën of gemeenten zijn opgericht, aan het toezicht van het gemeentebestuur onderworpen. Voorts zijn alle instellingen van weldadigheid, zonder uitzondering, verplicht jaarlijks aan het gemeentebestuur verslag te geven omtrent het getal verpleegden, het bedrag der uitgaven voor beheer en voor onderhoud van allerlei aard, en omtrent dat hunner inkomsten uit collecten, inschrijvingen of andere vrijwillige bijdragen. De bestuurders, die niet aan dit voorschrift voldoen, worden elk gestraft met eene boete van ten hoogste f 75, terwijl zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het geheel der gezamenlijk opgelegde boeten.

Geen burgerlijk bestuur mag onderstand verleenen, wanneer deze van kerkelijke of bijzondere instellingen kan worden verkregen en dan slechts bij volstrekte onvermydelijkheid (artt. 20v.).

Alle staats-, provinciale en gemeentelijke inrichtingen van weldadigheid, alsmede die van gemengden aard, zijn verplicht, niet alleen hare eigendommen tegen brandschade te verzekeren, maar ook hare beschikbare gelden, voor zoover zij niet noodig zijn voor het dagelijksche onderhoud, te beleggen op een der grootboeken der Nederlandsche schuld, terwijl hare begrooting, rekening en verantwoording, en in het algemeen al hare flnancieele handelingen aan de goedkeuring van het gemeentebestuur, van Gedeputeerde Staten of van de Regeering onderworpen zijn.

De belangrijkste wijziging, welke de wet van 1854 in 1870 heeft ondergaan, betreft, zooals wij boven reeds zeiden, de regeling van het domicilie van onderstand. Krachtens de eerstgenoemde wet was de gemeente waarin de armlastige was geboren, zijn domicilie van onderstand. Dientengevolge verhaalde de gemeente, waarin de arme woonde, haren onderstand op de geboorteplaats. Daaruit vloeiden aanmerkelijke nadeelen voort, met name eene te ruime en weinig oordeelkundige bedeeling in de woonplaats, wanneer deze eene andere was dan de geboorteplaats, en groote kosten voor het platteland, tengevolge van de verhuizing naar de steden. Sedert 1870 is

25

Sluiten