Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genoemde recht werd bedoeld de bevoegdheid van den Staat, om te regelen, hetgeen buiten de grens lag van geloofszaken. Het was de Koning, die bij besluit van 7 Januari 1816 ») het algemeen reglement van bestuur der hervormde kerk vaststelde. Wel werd tegen de wijze, waarop dit reglement was tot stand gekomen, door sommige kerkelijke vergaderingen verzet aangeteekend, maar de Regeering antwoordde daarop, dat zij slechts gebruik gemaakt had van een recht „door de souvereinen dezer landen, sedert de reformatie onafgebroken uitgeoefend". Volgens dat reglement benoemde de Koning den voorzitter en den onder-voorzitter der synode, alsmede den secretaris en zijnen secundus; werd voorts de Regeering in de synode door het hoofd van het departement van eeredienst vertegenwoordigd; moesten de kerkelijke reglementen, door de synode vastgesteld, aan de goedkeuring des Konings worden onderworpen; en werden de leden van het provinciaal en klassikaal kerkbestuur door den Koning benoemd uit eene voordracht door kerkbesturen ingediend. Zoo werd ook voor de wettigheid van het beroep eens leeraars de koninklijke approbatie geëischt.

Eindelijk hadden de Grondwetten van 1815 en 1840 den Koning opgedragen, toe te zien, dat de gelden, die uit 's lands kas voor den openbaren godsdienst werden besteed, tot geen ander doel gebruikt werden, dan waarvoor zij bestemd waren 2). Dientengevolge werden provinciale colleges van toezicht in alle provinciën in het leven geroepen, waarin de gouverneur der provincie (thans commissaris des Konings) en twee leden van Gedeputeerde Staten zitting hadden, terwijl ook de andere leden door den Koning benoemd werden. Bovendien werden de reglementen op de administratie der kerkelijke fondsen van regeeringswege vastgesteld.

Het algemeen reglement van 1816 werd vervangen door dat van 9 September 1851, vastgesteld door de algemeene synode. Bij dat reglement werd in vele opzichten meer dan bij het vroegere een beginsel van zelfstandigheid gehuldigd. De voorzitter en secretaris der synode werden niet meer door den Koning, doch door de synode zelve benoemd, en ook de klassicale en provinciale besturen

1) Zie Bijvoegsel t. h. Stbl. (ed. d'Engelbronneb) I, blz. 282.

2) De Grondwet van 1814 gaf den Souvereinen Vorst bovendien het recht van inzage en beschikking omtrent de inrichting van die gezindten, die eenige toelage uit 's lands kas genoten. Deze bepaling echter werd gewijzigd ten behoeve der katholieke kerk.

Sluiten