Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

krachtens zijn uitvoerend gezag, opgedragen, toe te zien, dat de kerkgenootschappen zich houden binnen de palen der gehooizaamheid aan de wetten van den Staat 1). De wet van 10 September 18-i3 (Stbl. n°. 102) tot regeling run het toezigt op de onderscheidene kerkgenootschappen, laatst gewijzigd 15 April 1896 (Stbl. n°. 70), dankt vooral aan dat artikel haar aanzijn. Volgens haar voorschrift zijn alle kerkgenootschappen verplicht de reglementen, zoowel die welke bestaan, als die welke in het vervolg zullen gemaakt worden, betrekkelijk hunne inrichting en bestuur, den Koning mede te deelen, en wordt zelfs daarvoor de koninklijke goedkeuring vereischt, indien de medewerking van het Staatsgezag noodig is. Verder mogen geene vreemdelingen kerkelijke bedieningen aanvaarden dan met toestemming des Konings, welke toestemming alleen in het belang der openbare rust kan geweigerd worden. Ook geven kerkelijke titels of rangen geen voorrecht, noch ten opzichte van het wereldlijk gezag, noch ten opzichte van andere kerkgenootschappen. Een aartsbisschop bij de katholieke kerk heeft krachtens deze bepaling geen hoogeren rang dan een predikant bij de hervoi md< kerk, terwijl bovendien de titularis in officieele stukken niet bij zijnen titel alleen, zooals in roomsche landen gewoonte is, maar met vermelding van zijnen geslachtsnaam moet aangesproken worden. Zoo mogen de geestelijken het gewaad hunner bediening niet dan binnen het gebouw van de openbare godsdienstoefening dragen; zoo kan in plaatsen, waar zich kerken van meer dan één kerkgenootschap bevinden, het klokkengelui door den Commissaris dei Koningin verboden worden. Hij, die de bepalingen dezer wet overtreedt , wordt door den rechter verklaard „ in strijd met de wet te hebben gehandeld." Hij, die evenwel, na eenmaal ter zake van

overtreding dezer wet te zijn veroordeeld, zich aan herhaling schuldig

maakt, wordt gestraft met schorsing in de uitoefening zijner burgeischapsrechten voor den tijd van drie tot tien jaren, en met hechtenis van één dag tot één jaar, te zamen of afzonderlijk.

Tegenover al deze bepalingen, die het gevolg zijn van een toezicht van den Staat, neemt deze op zich, de kerkgenootschappen tegen elke belemmering, stoornis der godsdienstoefening en beleediging te vrijwaren 2).

1) Art. 172. De Koning waakt, dat alle kerkgenootschappen zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat.

2) Zie artt. 145v. W. v. S. R.

Sluiten